in Filmkritiek

‘Detroit’ dompelt je onder in misselijkmakend politiegeweld

detroitFilmmaker Kathryn Bigelow, tot nu toe de enige vrouw die als regisseur een Oscar won, staat bekend om haar haast journalistieke speelfilms: ze schotelt de recente geschiedenis in dramatische vorm voor aan een groot publiek, dus je zou haar best een historicus van het heden kunnen noemen. Na een film over de Irak-oorlog ( The Hurt Locker, 2008) en een over de opsporing en uitschakeling van Osama Bin Laden ( Zero Dark Thirty, 2012) komt ze nu metDetroit, over de vijfdaagse rellen in die stad in 1967. Die vonden weliswaar vijftig jaar geleden plaats, maar het thema van de film – racisme en geweld tegen zwarte Amerikanen – is razend actueel. Zie alleen al de recente VICE-documentaire over extreemrechtse activisten in Charlottesville. 

Charlottesville werd drie jaar geleden nog uitgeroepen tot de gelukkigste plaats in Amerika. Het is een universiteitsstadje met een campus in Palladiaanse stijl, ontworpen door Founding Father en architect Thomas Jefferson. Hij schreef in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 dat ieder mens recht heeft op “Life, Liberty and the Pursuit of Happiness”, maar in de praktijk is dat recht vooral voorbehouden geweest aan witte Amerikanen. En als het aan Richard Spencer ligt, initiatiefnemer van de protesten in Charlottesville, dan blijft dat zo.

De geschiedenis van racisme in Amerika is de geschiedenis van Amerika. Wie dat nog niet wist, kon dat het afgelopen jaar opmaken uit speelfilms als Hidden Figures, Moonlight en Loving , en documentaires als 13th, I Am Not Your Negro en OJ: Made in America – films die ik stuk voor stuk aanraad. Je helpt een onrecht als racisme natuurlijk niet meteen de wereld uit door er kunst over te maken, maar je stelt het er wel mee aan de kaak – al is het de vraag of je dan niet vooral preekt voor eigen parochie.

Mijn kennis van de stad Detroit was voor het zien van Bigelows nieuwe film beperkt tot het gegeven dat het “a lovely city” zou zijn waar je je handen voor omhoog mag steken, volgens Fedde le Grand tenminste. Bigelow laat zien dat zich daar toch ook wat minder lieflijke taferelen hebben voltrokken. Ze zoomt in op een extreem gewelddadige middag en avond in 1967, tijdens de dodelijkste rellen in de Amerikaanse geschiedenis. Nadat de politie een zogenaamd illegaal feest is binnengevallen en de feestgangers – een teruggekeerde Vietnam-veteraan en zijn vrienden, allemaal zwart – gearresteerd heeft, komen buurtbewoners de straat op om hun onvrede te uiten. De dienders haasten zich weg, iemand gooit een steen door een winkelruit en mensen beginnen te plunderen; jaren ingehouden woede komt tot uitbarsting.

Archiefbeelden laten zien hoe erg het echt was, en verhogen het realiteitsgehalte van de film. Detroit is sowieso gefilmd met een naturalistische, documentaire-achtige cameravoering, ook wel cinéma vérité genoemd – alsof de gebeurtenissen zich spontaan voltrokken voor het oog van Bigelows cameramensen, die toevallig op de juiste plek waren . Ondanks dat realiteitseffect vond ik het geweld aan het begin van de film haast onrealistisch. Er circuleren gruwelijke beelden van politiegeweld tegen zwarte Amerikanen op internet, met nekklemmen en pistoolschoten, en die worden in de openingsscènes van Detroit nauwelijks geëvenaard, alsof de film een wat opgeschoonde versie van het verhaal wil vertellen.

Later in de film slaat de geweldsbalans echter de andere richting uit, wat daardoor extra hard aankomt. Een zwarte zanggroep moet door de rellen een optreden afzeggen, de zaal wordt geëvacueerd, en nadat hun bus beschoten is duiken twee zangers een motel in. Daar ontmoeten ze Carl, een mafkees die eerst op weergaloze wijze uitlegt hoe het voelt om zwart te zijn in Amerika – “alsof je constant onder schot wordt gehouden” – en daarna met een startpistool door een open raam op een groepje militairen schiet. Het huis wordt omsingeld en agenten proberen te achterhalen wie ‘de sluipschutter’ was. Het geweld dat politiemannen Krauss (Will Poulter) en Flynn (Ben O’Toole) daarbij gebruiken – wat ongeveer een derde van de film duurt – is misselijkmakend, ze dwingen de mannen bijvoorbeeld om te bidden, en als ik aan de film terugdenk zie ik vooral die twee duivelse gezichten voor me.

De agenten worden in eerste instantie nog op het matje geroepen voor hun gedrag, maar aan het eind van de film probeert de politie de moorden en mishandelingen in het motel in de schoenen van een zwarte beveiliger te schuiven, die knap gespeeld wordt door John Boyega, bekend van zijn rol als Finn in Star Wars. Een rechtszaak moet uitwijzen wie de schuldige is, en de politiemannen komen er zonder straf vanaf. Het is in moreel opzicht een teleurstellend einde, en een aanklacht aan het adres van de Amerikaanse rechtsstaat. Een hyperactueel sociaal drama dus, en een aanrader om te gaan zien.

Ik schreef dit voor Creators Nederland, zie hier.