in Proza

Ontmoet mr. Samiou

mrDinsdagmiddag, begin januari. Grijs licht valt door de luxaflex in tralievorm over ons kantoor. De vergadering verloopt stroef. Na dat jaarlijkse bad in scheikundige formules, ook wel ‘oud en nieuw’ genoemd, is de Onverveerd-redactie prikkelbaar. Reacties als ‘duur zeg’ en ‘je kunt het internet niet verslaan’ hebben het moreel gekrenkt. Gefnuikt haast. 

‘Koffie?’ vraagt Willem.

‘Ik heb nog,’ antwoordt Henk.

‘Nou, mooi is dat.’

De klok tikt voort, buiten blaffen twee hondjes. Uit latere gesprekken zal blijken dat we op dat moment allebei overwegen om ermee op te houden. Maar dan klappert de brievenbus, en vinden we dit briefje:

samiou

Elk probleem heeft een oplossing, aldus dit geheimzinnige briefje

‘Hé Henk, geile beer,’ zegt Willem, ‘moet je zien.’

Henk bestudeert het papiertje, dat niet groter is dan twee vloeitjes. Nog steeds is het stil, op het tikken van de klok na, maar de sfeer is omgeslagen van weemoedig naar geconcentreerd.

‘Ik zal eerlijk zijn,’ zegt Henk. ‘Mijn eerste reactie was ironie, dat zit helaas diep ingesleten. Daarna fronste de eindredacteur in mij zijn wenkbrauwen. Maar wat ik vooral denk is: dit is een teken, bel die man op. Toe, bel.’

Willem belt op luidspreker, de lijn kraakt en piept. Deze man is of heel ver weg, of heeft nog een prehistorisch toestel. Na enige hallo’s en een bent-u-daar-nog? maken we een afspraak. Een adres in Amsterdam, graag cash meebrengen.

We verwachten een verwarde man in een wolk wierook en blikjes kattenvoer; ook wij hebben vooroordelen. Konden we maar bevroeden dat we de volgende dag een authentiek mens zouden ontmoeten. Mr. Samiou heeft onze ogen geopend. Dit is zijn verhaal. Dit is het verhaal van mr. Rado Samiou.*

(*Kort en bondig verteld, omdat ons blaadje weinig ruimte biedt voor tekst, vooral gezien de vele grote afbeeldingen, en omdat we voor een leesbare lettergrootte zijn gegaan, i.v.m. onze ouders en een docent die sowieso twee brillen nodig heeft om te lezen. We hebben geprobeerd de ruimte optimaal te benutten en onnodige voetnoten te vermijden.)

Het is iets na tienen als we drie keer aanbellen bij een nog gesloten restaurant aan de Oudezijds Achterburgwal. Het ziet eruit alsof ze er machtige aardappeltaart met spek serveren.

‘Hallo?’ schalt de intercom.

‘Meneer Samiou? Wij zijn het. We hadden gebeld. Onverveerd?’

‘Ah, ja. Ik kom eraan.’

Twee minuten later opent een grote man met een snorretje de deur. Zijn hand schudden voelt alsof je een knolselderij uit de koelkast haalt. ‘Naar boven,’ bromt hij. Hij draagt een gilet over zijn geblokte overhemd en loopt mank. ‘Zeg maar Rado. Sorry hoor, normaal doet Dien open. Kom.’

Op de eerste verdieping zit de keuken, op de tweede houdt mr. Samiou kantoor. We nemen plaats op een versleten bank met een lap erover. ‘Ik zet thee,’ zegt hij. ‘Zo terug.’

We kijken rond. Er staat een vleugel, tegen de achterwand staan boeken. ‘Hier kan die Baudet met zijn lavendelsmoel nog een puntje aan zuigen,’ zegt Willem. Achter een plank op schragen staat een blauwe bureaustoel.

Henk hangt zijn tas aan een van de schragen.

‘Ja joh, pik,’ zegt Willem. ‘Doe lekker aso.’

‘Je tas op de grond zetten is armoedig, in sommige culturen,’ zegt Henk. ‘Je wil zo’n man geen verkeerd beeld geven.’

‘Hij heeft net zo’n IKEA-lamp als jij, dus dat zal wel loslopen.’

Leunend op zijn stok komt Rado weer de kamer in, met in zijn andere hand een dienblad met kopjes koffie, ijsklontjes en een fles Amaretto. ‘Thee was op,’ puft hij. ‘De koffie is oud maar we doen er wat drank door. Elk probleem heeft een oplossing, en soms is dat alcohol.’ Lachend ploft hij neer op zijn stoel, doet ijs en likeur in de koffie en vraagt wat hij voor ons kan betekenen. ‘Liefde? Schuld? Impotentie? Wat is het probleem.’

‘Nou, ja,’ zegt Willem, ‘eerlijk gezegd verveelden we ons, en toen viel uw briefje door de bus.’

‘Ah, interessant’ zegt Samiou. ‘Verdomd interessant.’ Hij steekt een sigaartje op, blaast de lucifer uit en kijkt ons aan. ‘Verveling, heren, is van alle mentale toestanden een van de paradoxaalste. Enerzijds voel je je sip en hangerig, anderzijds wordt je geest ontvankelijk voor mooie ideeën. Leegte, daar draait het om. Ik kan het weten, ik heb me vaak verveeld.’

Samiou tuit zijn lippen en slurpt uit zijn kopje, zijn snorretje beweegt als een vliegende meeuw in een tekenfilm. ‘Lange tijd was ik herder,’ vervolgt hij. ‘Dagen aaneen liep ik met schapen en honden over heuvels en vlaktes. ‘s Avonds schreef ik sonnetten, ik moest eraan denken door jullie blaadje. Luister.’ Hij leest voor uit een versleten schriftje:

Nieuwbegonnen
We kunnen alles als we willen kopen
Als fonkelgoud zijn deze jongste eeuwen
Zo warm het huis dat we al ’s morgens geeuwen
In zulk comfort zijn velen vroeg verzopen
Voor prak hoeven we amper nog te lopen
Als malse herten jagen drieste leeuwen
Zo vruchteloos dat we vanbinnen schreeuwen
Te vele wegen liggen voor ons open
Wat doet een mens met al die lege uren
De tijd vermetel op de dood herwonnen
Waarom niet vaker uit het venster turen
Een web van onzin is rond ons gesponnen
Hoe lang zal het die kale aap nog duren
Eer onverveerd zijn ziel en nieuwbegonnen

We zwijgen, Samiou ook. Dan klinkt gerommel in het trappenhuis. ‘Ah,’ zegt Samiou. ‘Daar is Dina. Dien? Hier komen!’

‘Ik heb me eigenlijk altijd verveeld,’ zegt mr. Samiou. ‘Heerlijk.’ Dina gaat zitten en kijkt ons meewarig aan. Samiou vertelt verder: ‘Als kind zat ik uren in de bibliotheek van mijn opa. Zat hij te dommelen achter zijn krant, dan las ik stiekem de boeken die ik niet lezen mocht. Mijn ouders waren veel weg, vader als deurwaarder, moe had een kapsalon. Een geouwehoer daar altijd, vreselijk.’ Hij steekt zijn sigaartje weer aan en wrijft wat as van zijn gilet. ‘Ik heb ook geschilderd, dat doe ik nu minder. Hebben jullie dat meer zien hangen beneden? De Dolomieten, daar ben ik opgegroeid. Ik was graag buiten, nog steeds trouwens, al kan ik geen dagen meer lopen.’ Hij tilt zijn stok op ter illustratie.

‘Was u niet eenzaam?’ vraagt Willem.

‘Eenzaam? Ach. Begin jaren tachtig kwam ik Zofia tegen, God hebbe haar ziel. Ze speelde flamenco en we hebben een prachtige dochter gekregen.’ Hij knikt naar Dina.

‘Bent u eigenlijk “meester” of gewoon “meneer” Samiou?’ vraagt Henk.

‘Ik ben wie jij wil dat ik ben. Voor jullie ben ik meneer meester Rado Samiou, oké?’

‘Hoe word je dat eigenlijk, medium?’ vraagt Willem.

‘Ik kreeg last van mijn benen, zo is het begonnen. Mooi werk hoor, mensen komen naar je toe en vertellen je dingen. Hun diepste geheimen, dromen, verlangens. Niet iedereen betaalt, want niet goed geld terug, en ik doe ook maar wat. Toch heb ik veel klanten, uiteindelijk zit het allemaal tussen je oren. Ik kan er goed van leven, en heb stapels verhalen. Dien, laat die jongens eens wat zien.’ Dina verlaat de kamer, we horen geritsel op de gang.

‘A ha,’ zegt Henk.

‘Ja heren, verveling is een zegen, onder de juiste omstandigheden. Leg die telefoons weg, zet het internet uit, maak een wandeling, lees een boek, trek eropuit, ga vissen of doe als mevrouw Bovary. Zoek dat op als je het niet kent. En doe ook eens iets leuks voor andere mensen, gewoon zomaar. Anderen vervelen zich ook te pletter. Lukt het Dien?’

Dina staat op de gang met een steekwagen vol mappen.

‘Mijn verhalen,’ zegt Rado Samiou. ‘Mooi toch? Je hoort de raarste dingen, als je maar genoeg vragen stelt. Blijven doorvragen tot waar het pijn doet. Nou, dat was het wel, de tijd zit erop, ik wens jullie succes. Wees onverveerd en maak er wat van. En nu wegwezen.’

Namens de gehele Onverveerd-redactie willen we mr. Samiou bedanken voor zijn kostbare tijd en advies. Voor dit gesprek hebben wij achteraf het reguliere tarief van 65 euro afgerekend bij Dina.

Geschreven voor Onverveerd #3