in Filosofie

Volgens Alain de Botton is werken altijd een teleurstelling

debottonIk heb tijdens mijn studie filosofie veel boeken gelezen, maar zelden de filosofieboeken die me werden opgedragen. Met een vriend die ook veel las grapte ik weleens dat studeren best oké is, maar dat het zo snijdt in je leestijd. Iets soortgelijks zullen veel mensen zeggen over werken: best oké, maar het snijdt zo in je tijd. Je leeft maar één keer, je wil van alles, maar je moet vooral werken, wat verdomd saai en eentonig kan zijn. 

Zelf werk ik vooral als journalist, en het leuke daarvan is dat ik mensen mag interviewen die ik bewonder. Zo keek ik uit naar een interview met Alain de Botton, een Britse filosoof die mijn hart stal met zijn Essays In Love. Hij weet veel en schrijft mooi. Zijn organisatie, The School of Life, wil mensen dingen leren die je niet op school leert. Zoals vandaag met het symposium The Future of Work, waar mensen uit het bedrijfsleven voor 495 euro met elkaar in gesprek gaan over hoe ze beter met hun personeel kunnen omgaan.

Het interview kon echter alleen per mail. De Botton zal het druk hebben, of houdt niet van journalisten, die lange antwoorden niet altijd op prijs stellen. De antwoorden zijn dus door hem geschreven, of geknipt en geplakt uit andere teksten, maar desalniettemin is wat hij zegt lezenswaardig, en geeft het inzicht in werk, liefde en het leven.

Het is niet onze eigen schuld als we ons losers voelen.

VICE Money: Van mijn schoonzus kreeg ik je boek The Pleasures and Sorrows of Work. Voorin schreef ze: “Laat je niet foppen, werk is alleen sorrows”. Veel mensen zien werk als een noodzakelijk kwaad. Hoe komt dat?
Alain de Botton: Veel mensen hebben het gevoel dat ze op werkvlak gefaald hebben. Ze hebben gefaald omdat ze minder geld verdienen dan ze gehoopt hadden, omdat ze aan de zijlijn staan in hun organisaties, omdat vrienden en kennissen meer succes hebben, omdat hun plannen niet uit de verf komen, omdat ze bang zijn, moe of verveeld. We zijn geneigd dat aan onszelf toe te schrijven, maar de grootste oorzaak van dat gevoel is iets dat zelfbewuste, bescheiden mensen niet graag de schuld geven: het systeem waarin we leven.

Onze tekortkomingen, verlangens en angsten lijken onze eigen schuld, maar de echte oorzaken liggen ver van ons, namelijk in de manier waarop de economie in elkaar steekt. Het kapitalisme maakt het moeilijk onszelf te accepteren en voldoening te vinden in ons werk. Het is niet onze eigen schuld als we ons losers voelen.

Ik zeg dit niet als makkelijke kritiek op het kapitalisme, of om te suggereren dat er voor de hand liggende alternatieven zijn. Elke economie die ooit bestaan heeft, had ellendige kanten. Maar we moeten onszelf toestaan om kritiek te leveren op het systeem, niet om voor iets anders te pleiten, maar om het gevoel van falen minder persoonlijk te maken.

Het is geen toeval dat werken teleurstelt. Daar zijn tenminste acht redenen voor: de vraag naar specialisatie beperkt ons in het ontwikkelen van potentiële kwaliteiten; de concentratie van kapitaal verdrukt persoonlijke initiatieven; de hoeveelheid consumentenkeuze dwingt ons commerciëler te zijn dan we zouden willen; de grootte van de industrie geeft ons het gevoel klein en betekenisloos te zijn; concurrentie brengt angst voort; verplicht samenwerken maakt ons boos; onze torenhoge ambities verbitteren ons; het idee van meritocratie geeft ons het gevoel dat we verantwoordelijk zijn voor ons eigen falen.

Als we leren begrijpen waarom werk ons verdrietig maakt, is dat verdriet niet meteen de wereld uit, maar het zorgt er wel voor dat we ons minder alleen voelen. Iedereen voelt het.


Het symposium van The School of Life heet ‘The Future of Work’. Wat is de toekomst van werk?
Een van de grootste teleurstellingen van werken komt voort uit het gevoel dat slechts een deel van onze kwaliteiten benut worden bij de baan waarvoor we getekend hebben. De functieomschrijving op ons visitekaartje is slechts een van de duizenden omschrijvingen die we in theorie bezitten.

In zijn Song of Myself uit 1855 verwoordde de Amerikaanse dichter Walt Whitman onze meervoudigheid zo: “I am large, I contain multitudes”. Hij bedoelde dat er altijd veel mogelijke versies van onszelf zijn, terwijl er in ons leven maar weinig tot wasdom komen. Geen wonder dat we ons steeds bewust zijn van niet uitgevoerde plannen, en dat we soms met pijn in onze ziel beseffen dat we best iemand hadden kunnen zijn.

De economische oorzaak dat we onze eigen mogelijkheden niet kunnen onderzoeken, is dat we veel productiever zijn als we dat niet doen. In The Wealth of Nations uit 1776 legde de Schotse econoom en filosoof Adam Smith voor het eerst uit hoe “de arbeidsdeling” heeft gezorgd voor toegenomen productiviteit in het kapitalisme. Hij zoomde daarbij in op de duizelingwekkende efficiëntie van een speldenfabriek, waarin iedereen zich met één specifieke taak bezighield:

One man draws out the wire, another straights it, a third cuts it, a fourth points it, a fifth grinds it at the top for receiving the head; to make the head requires two or three distinct operations; to put it on is a peculiar business, to whiten the pins is another; it is even a trade by itself to put them into the paper; and the important business of making a pin is, in this manner, divided into about eighteen distinct operations, all performed by distinct hands. I have seen a small manufactory where they could make upwards of forty-eight thousand pins in a day. But if they had all wrought separately and independently, and without any of them having been educated to this peculiar business, they could have made perhaps not one pin in a day.

Smith sloeg de spijker op z’n kop. Je gehele werkende leven één taak uitvoeren is economisch gezien best slim. Tegenwoordig voeren we allemaal zo’n specifiek taakje uit, daarom hebben we functieomschrijvingen als Office Manager, Pensioenspecialist of Verwarmingsmonteur. We zijn kleine, relatief welvarende radertjes in een enorme, efficiënte machine. Maar we verlangen vaak om onze eigen meervoudigheid meer tot uiting te brengen.

Er wordt van ons professionele monogamie verwacht, terwijl we talenten voor veel meer functies bezitten dan we ooit zullen bekleden.

Een van Smiths grondigste lezers was de Duitse econoom Karl Marx. Marx was het eens met Smiths analyse: specialisatie had de wereld veranderd en bezat de revolutionaire kracht om mensen en landen rijk te maken. Maar Marx verschilde van Smith wat betreft zijn oordeel over dit systeem. We zouden rijker worden, maar ook ongelukkiger. Toen hij zijn utopische communistische samenleving omschreef in The German Ideology in 1846, benadrukte Marx dat iedereen meerdere taken zou krijgen, en er geen specialisten zouden zijn:

In communist society… nobody has one exclusive sphere of activity but each can become accomplished in any branch he wishes… thus it is possible for me to do one thing today and another tomorrow, to hunt in the morning, to fish in the afternoon, rear cattle in the evening, criticize after dinner…without ever becoming a hunter, fisherman, shepherd or critic.

Dat we ons werk zo belangrijk vinden komt deels doordat het onze identiteit bepaalt. Ons karakter wordt gevormd door ons werk. Je ziet dat misschien niet bij jezelf, maar wel bij anderen. Een basisschooljuffrouw behandelt ook mannen van middelbare leeftijd alsof ze begeleiding nodig hebben. Een psychoanalist heeft een manier van luisteren zonder oordelen aangeleerd. En een burgemeester kan tijdens een intiem familiediner ineens de voorzitter gaan uithangen.

De impact van het werk wat we doen op wie we zijn kleurt ons hele bestaan. We worden wie we voor ons werk moeten zijn. Dat vernauwt ons karakter. Als we dagelijks bepaalde manieren van denken nodig hebben, voelen andere snel vreemd of bedreigend. Door een groot deel van je leven één specifieke taak uit te voeren, worden andere potentiële vaardigheden achtergesteld. Hoe verrijkend je werk ook mag zijn, het kan je geestelijke vermogens sterk belemmeren.

We kunnen onszelf soms de schrijnende vraag stellen wat voor mensen we ook hadden kunnen zijn, als we de mogelijkheid gehad hadden om iets anders te doen. Bepaalde deuren hebben we afgesloten, soms hard of abrupt. Andere lijken soms, op zondagmiddagen, nog te lonken. Aan het uiteinde van andere levenspaden liggen andere versies van onszelf, die belangrijke maar onderontwikkelde of opgeofferde elementen van ons karakter onthullen.

Er wordt van ons professionele monogamie verwacht, terwijl we talenten voor veel meer functies bezitten dan we ooit zullen bekleden. Als kind kon je op een enkele zaterdagochtend ontdekkingsreiziger zijn, architect van een Lego-huis, een lied schrijven over cornflakes, of de kunst van het kleuren vernieuwen door vier viltstiften aan elkaar te plakken. Je was onderdeel van een reddingsteam, daarna landde je als piloot een vrachtvliegtuig op het tapijt in de gang, je opereerde je knuffelkonijn en hielp als sous-chef mee bij het smeren van de boterhammen. Al deze spelletjes hadden het begin van een carrière kunnen zijn. Toch kiezen we uiteindelijk meestal voor slechts één beroep, dat we daarna vijftig jaar volhouden.

We mogen best rouwig zijn om het feit dat grote delen van ons karakter onontdekt blijven. Dat is niet onnozel of ondankbaar.

In vergelijking met kinderen leiden we bijzonder beperkte levens. Daar is geen makkelijke oplossing voor. Maar zoals Adam Smith al schreef: de oorzaken daarvan zijn niet gelegen in persoonlijk falen. Het is een beperking die ons wordt opgedrongen door de grotere logica van een productieve, competitieve markteconomie.

We mogen best rouwig zijn om het feit dat grote delen van ons karakter onontdekt blijven. Dat is niet onnozel of ondankbaar. We ervaren simpelweg de clash tussen de vereisten van de arbeidsmarkt en het potentieel van elk mensenleven. Dat stemt droevig, maar het is goed te beseffen dat je dat onbevredigde gevoel bij elke baan zult hebben. We moeten niet proberen dat tegen te gaan door van baan te wisselen, want één baan zal nooit genoeg zijn.

Iets soortgelijks gebeurt bij relaties. We zouden geweldige relaties kunnen hebben met honderden verschillende mensen. Die zouden uiteenlopende kanten van ons karakter naar voren brengen en ons op velerlei manieren bevredigen (en teleurstellen). Toch levert specialisatie in de liefde, net als bij werk, ook voordelen op: we kunnen ons focussen, kinderen in stabiele omstandigheden ter wereld brengen en de kunst van het compromis leren.

Liefde en werk vereisen specialisatie, terwijl we van nature meervoudig zijn. We dragen altijd de kiemen van verschillende versies van onszelf in ons, die nooit een kans krijgen om tot wasdom te komen. Dat is een sombere gedachte, maar ook een troostrijke. Ons lijden is pijnlijk, maar het geeft ons ook een curieuze waardigheid, omdat het geen individuele, maar een collectieve ervaring is. Het geldt net zo goed voor een CEO als voor een stagiair, voor een kunstenaar als voor een accountant. Iedereen had vele gelukkige levens kunnen leiden, die hem nu ontgaan. Dat leed is ons gezamenlijke, menselijke lot.


Over welke toekomst gaat het symposium? En over wiens toekomst?
In ruil voor economische groei en welvaart accepteren we dat we in een consumenten-economie leven met ongelukkige bijwerkingen (advertenties, ongezond eten, producten die we totaal niet nodig hebben). We hebben welvaart verkozen boven deugdzaamheid. Zelden wordt de vraag gesteld hoe die twee te verenigen zijn, hoe we én consumenten én deugdzaam kunnen zijn, zonder de negatieve uitersten te ervaren, namelijk morele decadentie en armoede. Is een samenleving mogelijk waarin consumenten geld uitgeven, wat banen en welvaart oplevert, maar dan niet aan overbodige spullen? Kunnen we ook gaan shoppen voor andere dingen dan onzin?

In het werk van Adam Smith staan aanwijzingen dat dat mogelijk is. Consumptie hoeft niet altijd te gaan om lichtzinnigheden. Smith zag de groei van boekhandels in Edinburgh en voorzag dat de vraag naar hoger onderwijs zou groeien. Ook zag hij de welvaart stijgen door de bouw van Edinburghs fraaie Old Town. Hij begreep dat mensen ‘hogere’ behoeften hebben, die ook arbeid en intelligentie vereisten, maar buiten de kapitalistische orde lagen zoals die door ‘realisten’ als Hume en Mandeville werd omschreven – behoeften als onderwijs, zelfkennis, mooie steden en aangename sociale levens. Het doel van het kapitalisme was volgens hem om geluk voort te brengen, niet slechts materialistisch maar ook psychologisch.

De hoop voor de toekomst is dat we niet altijd geld hoeven te blijven verdienen aan betekenisloze vormen van consumptie, maar dat we ook winst leren maken door mensen te helpen in belangrijke aspecten van hun levens. De hervorming van het kapitalisme moet bestaan uit een raar klinkende, maar belangrijke taak: het vormen van een economie die zich richt op hogere behoeften.

We moeten mensen prikkelen om hun geld uit te geven aan dingen die echt bevredigen

Moeten mensen nog wel werken in de toekomst, als robots ons werk overnemen en we een basisinkomen krijgen?
De uitdaging voor de toekomst is vooral om ervoor te zorgen dat er minder misemployment is: verkeerde werkgelegenheid. Dat is werk dat niet voorziet in hogere behoeften, maar mensen slechts onbevredigende pleziertjes voorschotelt. Een voorbeeld hiervan zijn mensen die in sigarettenfabrieken werken, verslavende tv-programma’s maken, lelijke flats bouwen, of ongezond eten maken.

De hoeveelheid verkeerd werk in de economie is nooit gemeten, maar het zou best eens heel hoog kunnen zijn. In een ideale samenleving zou de overheid niet alleen de werkgelegenheid meten, maar ook kijken naar hoeveel mensen werk doen dat voorziet in hogere behoeften. Economen hebben met enig succes methoden ontwikkeld om werkloosheid tegen te gaan, zoals geld printen en de rente verlagen, wat ‘het stimuleren van vraag’ wordt genoemd. Maar die methoden maken geen onderscheid tussen de vraag naar goede en slechte dingen, en dus ook niet tussen goed en verkeerd werk.

Er zijn oplossingen om verkeerd werk tegen te gaan. De truc is om niet slechts de vraag aan te wakkeren, maar de vraag naar goede dingen: we moeten mensen prikkelen om hun geld uit te geven aan dingen die echt bevredigen, en zo individuen en bedrijven de kans geven om werk te doen en winst te maken in betekenisvolle delen van de economie.

Je moet mensen prikkelen hun geld aan de juiste dingen uit te geven. Daarvoor is onderwijs en voorlichting nodig, zodat mensen leren inzien wat echt waardevol is, en voorbijlopen aan verraderlijke producten.

Het is geen losersmentaliteit om te beseffen dat het altijd erger kan, en ook erger zal worden.

Volgens de tekst op de website van The School of Life hebben “jongere generaties andere maatstaven voor hun gedroomde carrière”. Wat voor maatstaven zijn dat volgens jou?
Jongeren moeten leren omgaan met teleurstellingen. Er is ongelooflijk veel geluk nodig om succesvol carrière te maken. Je moet al op jonge leeftijd weten wat je kan en wil, je moet de juiste opleidingskansen hebben, het juiste soort minderwaardigheidscomplex, zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen, een netwerk, geen schandalen, gezondheid, onhandige vijanden, geen tragische seksualiteit, geestdrift. En niet voor één of twee jaar, maar voor minstens veertig.

Je moet niet verbaasd zijn als je niet aan de top komt. Dat komt niet omdat je dom bent, maar je bent gefopt om te geloven in de statistieken van succes, en verwart het unieke met het mogelijke. We verlangen naar glorieuze bestemmingen, maar daarvan zijn er altijd minder dan dat er mensen zijn die verlangen om daar te komen. Het spel is doorgestoken en veroorzaakt veel leed, maar dat wordt zelden aangezien voor collectief leed en bijna altijd als een persoonlijke tekortkoming.

Dat komt deels door ons eigen brein. We zijn geprogrammeerd voor ambitie. Het zit niet in onze natuur genoegen te nemen met wat we al hebben. We zijn inherent ondankbaar en hebben pas het gevoel dat we leven als we ons opzadelen met een last die ons waarschijnlijk zal verpletteren. Zelfs zogenaamde successen zullen vooral nieuwe dromen en verlangens voortbrengen. Er is altijd een kloof tussen prestaties en verlangens. De onvermijdelijke uitkomst van ambities is dat je je uiteindelijk een loser zult voelen.

Natuurlijk is het goed om succes na te jagen, maar als je niet leert om ook met tegenslagen om te gaan, word je gek. Dat begint met het duistere inzicht dat je uiteindelijk ergens op je bek zult gaan.

We moeten leren leven met middelmatigheid.

We moeten ons ontdoen van een rotgevoel op dit vlak. Het is geen persoonlijke tekortkoming. Onze dromen zijn als een huis van twijgjes in een storm. We moeten ophouden ons te fixeren op wat het leven ons heeft aangedaan, en ons verbinden met de levens van anderen, mensen die nooit in de schijnwerpers staan, het legioen van stilletjes wanhopende en stervende mensen. Het is geen losersmentaliteit om te beseffen dat het altijd erger kan, en ook erger zal worden.

We moeten leren leven met middelmatigheid. ‘Falen’ is een te extreem woord voor iets wat heel normaal is. De teleurstelling van werk is alomtegenwoordig en de last ervan is makkelijker te dragen als je beseft dat iedereen hem draagt, zoals ook met de dood het geval is. We moeten erom leren lachen, weigeren bang te zijn en onze eigen pretenties relativeren, zonder aan eigenwaarde in te boeten.

Het is uiteraard niet makkelijk dat we vaak omringd worden door mensen die gevangen zitten in een giftige ideologie van ambities. De eerste vraag die mensen ons vaak stellen als we ergens zijn is wat voor werk we doen. Als het antwoord niet sprankelend genoeg is dan merken we meteen een verlies van interesse, en voelen we ons mislukkelingen.

Laten we aardiger voor onszelf en elkaar zijn. We kunnen zorgen dat we elkaar minder vaak blootstellen aan oordelen op basis van het werk dat we doen, zodat onze identiteit niet slechts gekoppeld wordt aan salaris en status, maar vooral aan onze persoonlijkheid, vriendschappen, interesses en vermogens die niet direct geld opbrengen.

Laten we zo wijs zijn een zekere mate van melancholie jegens werk te betrachten, op basis van het begrip dat het verdriet van werken niet alleen iets over onszelf zegt, maar dat ons leed het leed is van de gehele mensheid. Laten we niet wanhopen, maar vergevingsgezind zijn naar ons eigen falen en dat van anderen, en ons richten op wat echt belangrijk is, zo lang er nog tijd is.

Ik schreef dit voor VICE Money, zie hier.