in Essays

Een essay over kunst en publiek, en voorstellingen die (n)iets voorstellen

kunst_publiekBegin april speelde de 67-jarige Italiaanse acteur Giovanni Mongiano een voorstelling van ruim een uur voor een lege zaal. In diezelfde periode speelde er een uitverkocht stuk van Micha Wertheim in Nederlandse theaters – zonder Micha Wertheim, die zat gewoon thuis. Samen schijnen ze licht op de vraag: wanneer stelt een voorstelling echt iets voor? Daarover gaat dit essay, dat verschenen is op de website van het Vlaamse cultuurtijdschrift Rekto:Verso

De Turijnse acteur Giovanni Mongiano zat in zijn kleedkamer in het Teatro del Popolo in Gallarate, een industriestadje nabij Milaan, toen hij van de kassajuffrouw te horen kreeg dat zich wel heel weinig popolo bij het teatro gemeld hadden: nul om precies te zijn. De toneelspeler besloot zijn monoloog Improvisaties van een lezende acteur toch op te voeren, tegenover 240 lege stoelen en een brandblusser. Zijn enige getuige was zijn jonge assistente Paula Vigna, die ook het licht en geluid bediende. De kassajuffrouw keek aanvankelijk ook mee, maar vertrok om haar mobiele telefoon op te nemen en kwam niet meer terug.

Een paar jaar terug werkte ik zelf nog als ‘kassajuffrouw’ bij het Louis Hartlooper Complex, een filmhuis gevestigd in een imposant rijksmonument aan een met treurwilgen omlijstte gracht in het Utrechtse Museumkwartier. Ondanks deze schilderachtige ambiance was het er soms spookachtig stil, en las ik tussen het verkopen van twee kaartjes door gemakkelijk een dun boekje uit. Waren er voor een film geen kaartjes verkocht, dan schakelde ik of een barmedewerker de projector uit, om energie en geld te besparen. Omdat het afspelen geautomatiseerd was, draaide de film dan wel verder, maar zonder beeld.

Bij toneel heb je geen automatische afspeelsystemen, maar ook het spelen van een toneelvoorstelling kost tijd, geld en energie. Dus waarom dan spelen voor een lege zaal? Elke kunstenaar moet natuurlijk zelf weten wat hij of zij doet als er geen publiek komt opdagen, maar een kleine rondvraag onder Nederlandse toneelspelers wijst uit dat velen in zo’n geval niet zouden spelen. Een bevriend theatermaakster appte me dat ze zonder publiek niet zou spelen, want theater is “een dialoog tussen spelers en publiek, en dat is juist het leuke”.

Een bevriend acteur schreef dat er ‘een soort ongeschreven regel is dat je niet speelt als er minder publiek is dan mensen op de vloer, anders voelt het publiek zich opgelaten’. Als je heel de dag hebt staan opbouwen en er komt geen geen hond op de voorstelling af, dan kan hij zich indenken dat je schouwburgpersoneel, festivalmedewerkers of mensen uit de buurt vraagt om op de tribune plaats te nemen. En indien nodig kun je de tijd benutten voor een extra repetitie.

In het najaar van 1989 stond het duo Kas & De Wolf in het Rotterdamse Lantaren-theater op het punt om een voorstelling te gaan spelen voor slechts vier man. Net voor aanvang kwamen twee daarvan erachter dat ze zich in de verkeerde zaal bevonden, en vertrokken schielijk. Voor slechts twee mensen spelen was al erg genoeg, maar na een half uur hielden ook zij het voor gezien, en rukten in. Kas & De Wolf zijn er toen ook maar mee opgehouden. Mongiano daarentegen speelde gewoon zijn voorstelling, ook al waren er geen kaartjes verkocht. Maar waarom zou je, behalve als repetitie, spelen voor een lege zaal? En zegt dat iets over de relatie tussen theater en publiek?

Kunstenaar zonder publiek

Giovanni Mongiano speelde ‘uit pure liefde’ voor zijn vak, berichtte de Volkskrant. ‘Empty spaces, abandoned places, the show must go on’, in de woorden van Queen – een lied dat na het lezen van het bericht door mijn hoofd rondzong. Maar: ‘does anybody know what he was looking for?’ Als Mongiano die avond niet gespeeld had, had hij daarna niet kunnen slapen, beweerde hij. Ook noemde hij zijn optreden een daad van rebellie: een provocatie naar Italianen die steeds minder naar het theater gaan, en een sneer naar collega-acteurs die geen moeite doen om hun tekst in te studeren, en op toneel uit het script voorlezen. Als dat echt voorkomt in Italië – Mongiano noemt het de aanleiding om in 2013 zijn monoloog te schrijven – dan snap ik dat het Italiaanse publiek wegblijft.

Het beeld van een gepassioneerd acteur in de herfst van zijn bestaan die voor een lege zaal een ernstig toneelstuk opvoert is mooi en sneu tegelijk, als een dominee die voor een lege kerk preekt over het verval van morele waarden. Toch ben ik sceptisch over Mongiano’s redenen. Liefde voor het vak is mooi, maar een vrije avond ook, zeker voor een acteur op leeftijd. Ik kan me zijn verontwaardiging voorstellen over het afwezige publiek, maar een lege zaal laat zich provoceren noch sneren.

Wat kan het dan zijn geweest? Repeteren was waarschijnlijk onnodig, de voorstelling speelde al sinds 2013. En Mongiano mag dan een Italiaan zijn, hij zal het niet louter gedaan hebben om zijn assistente en de kassajuffrouw te charmeren. Die eerste vond het hoe dan ook prachtig, vertelde ze aan een journalist die de moeite had genomen haar om een reactie te vragen: ‘Hij speelde alsof het theater helemaal gevuld was.’

Waarom was er geen publiek in het Teatro del Popolo? We weten weinig van het voorval in Lombardije. In Nederland schreef alleen de Volkskrant over zijn publieksloze voorstelling, plus een paar bloggers die het bericht vrijwel letterlijk overnamen. Maar aangezien Mongiano al sinds 2013 met zijn monoloog op de planken stond, had iedereen het stuk misschien al gezien, of stond het bekend als bitter, prekerig en humorloos, en had niemand daar die avond zin in. Andere mogelijkheden: een voetbalwedstrijd op tv (wanneer niet?), een ITA-alert om ramen en deuren gesloten te houden, een fout op de theaterladder. We weten het niet, wat de betekenis van de lege stoelen onduidelijk maakt.

Publiek en publiek

Wat we wel weten: Mongiano heeft zijn voorstelling gespeeld, en iemand heeft zijn performance zonder publiek toch ‘publiek’ gemaakt. Is Mongiano, zijn assistente, of de kassajuffrouw verantwoordelijk voor deze paradox? Misschien is Mongiano ondanks zijn leeftijd een geslepen clickbaiter. ‘Acteur speelt voor lege zaal’ is een opmerkelijk bericht, iets waar mensen graag op klikken, en dat gebeurde dan ook.

Italiaanse twitteraars noemden Mongiano ‘het wonder van Gallarate’, uit heel Italië klonk volgens de Volkskrant ‘lof en virtueel applaus’ en andere toneelspelers deelden met veel pathos hun ervaringen over optredens voor weinig publiek. Ook in Nederland gingen duimen viraal omhoog: op de facebookpagina van de Volkskrant kreeg het bericht meer dan tweeduizend likes, en het werd bijna tweehonderd keer gedeeld.

We hebben hier te maken met twee betekenissen van het woord ‘publiek’. Mensen die samen naar iets kijken of luisteren, zoals een voetbalwedstrijd of een concert, noemen we ‘publiek’. Andere woorden hiervoor zijn ‘toeschouwers’, ‘toehoorders’, of de metonymieën ‘gehoor’ en ‘zaal’. Bij theaterpubliek, dat het liet afweten in Gallarate, kun je denken aan ‘eenige dames en heeren, allen met zorg gekleed; gewasschen – met witte boorden en lila dassen – met schoone handen en manchetjes’, zoals schrijver en kunstenaar Theo van Doesburg schreef in zijn korte verhaaltje Kunstenaar en publiek.’n Kleine, oude historie uit 1915.

De andere betekenis van ‘publiek’ is: openbaar, toegankelijk, zichtbaar. Mongiano’s voorstelling was toegankelijk, al moest je er wel een kaartje voor kopen, maar het verhaal over de voorstelling zonder publiek bereikte pas een miljoenenpubliek nadat iemand het verhaal ‘publiceerde’ op internet, het snelste der communicatiemiddelen. Eerst verscheen het op Twitter, toen in de Corriere della Sera, daarna in de Volkskrant en toen weer op Facebook, waarna mensen het bericht verder de wereld in slingerden door het te liken en te delen.

Mongiano’s voorstelling van meer dan een uur over de staat van het Italiaanse theater werd door die transformatie wel gereduceerd tot iets waar je op je beeldscherm even overheen scrollt, vaak op een loos moment, en daarna snel weer vergeet. Niemand die zich herinnert hoe Mongiano’s stem klonk, wat hij te zeggen had en hoe dat voelde; niemand die opging in zijn verbeelding.

Amateur, artiest of rebel?

Massimo Gramellini, columnist van de Corriere della Seranoemde Mongiano’s voorstelling ‘een masterclass’, en duidde die als volgt: in de huidige spektakelmaatschappij zijn we allemaal acteurs, vooral op Facebook, en draait alles om populariteit en bevestiging. Iets doen zonder publiek, ‘puur voor het plezier of omdat iemand vindt dat het moet’, is daarmee juist ‘heel erg artistiek’.

Volkskrant-redacteur Olaf Tempelman drukte zich een week later iets voorzichtiger uit, hij noemde de Italiaanse acteur geen rebel maar een voorbeeldfiguur: ‘Het wemelt op de wereld immers van de dichters, schilders en singer-songwriters die lijden onder een gebrek aan publiek, en van Mongiano leren: publiek is niet nodig.’

Promoveerde Gramellini een toevallige samenloop van omstandigheden – toneelspeler, geen publiek, een smartphone – niet al te gemakkelijk tot een daad van rebellie tegen exhibitionisme en bevestigingsdrang in de (digitale) publieke sfeer? Was het intentie of toeval? De uitleg van de columnist gaat enkel op omdat het bericht over de voorstelling viraal is gegaan op social media, waarmee Mongiano zelf overigens onderdeel werd van de spektakelmaatschappij waartegen hij zich zogenaamd verzette. Door de bevestiging die hij kreeg op sociale media, zal hij zich misschien een rebel voelen, maar of het bedoeld was is de vraag. Het ‘publiceren’ van Mongiano’s voorstelling zonder publiek kan ook uit verveling van assistente Paula Vigna zijn voortgekomen. Maar zelfs als Vigna en Mongiano uit waren op sociale-media-aandacht, dan was succes niet gegarandeerd.

Bij de uitleg die Tempelman gaf – Mongiano als voorbeeldfiguur, publiek is niet nodig – moet de vraag gesteld worden: niet nodig waarvoor? Die vraag beantwoordt hij niet. Publiek is niet nodig om als kunstenaar je bed uit te komen en aan het werk te gaan, lijkt me, dat zou een slechte zaak zijn. Laat me de vraag die Tempelman niet beantwoordt omdraaien: waarvoor is publiek eigenlijk wel nodig?

Publiek zonder kunstenaar

De ongemakkelijkheid van Mongiano’s beslissing om de doorgang van zijn performance niet van het aanwezige publiek te laten afhangen, zit hem uiteraard in de lege stoelen, die hem een beetje zielig en zijn toneelspel potsierlijk doen lijken. In tegenstelling tot de schilderkunst of het schrijven van gedichten worden theatrale kunstvormen doorgaans opgevoerd in zalen waar een groot deel van de ruimte uit een publiekstribune bestaat. Blijft die leeg, dan lijkt dat al snel op afkeuring: als het echt iets voorstelde, waren er heus wel mensen komen kijken. Andersom kan het niet zo zijn dat publiek louter dient om de kunstenaar niet al te zielig te doen lijken, al zullen genoeg mensen kunstenaars toch wel sneu en zielig vinden.

Uiteraard zijn er kunstenaars die zich – het zijn ook maar mensen – goed voelen door hun populariteit. Zo niet de Nederlandse cabaretier Micha Wertheim. ‘Hoe voller de zalen, hoe nietszeggender de cabaretier’, tekende Volkskrant-journalist Gidi Heesakkers op uit de mond van de in Groningen geboren grappenmaker. (Inmiddels moge duidelijk zijn op welke krant ik geabonneerd ben.)

Wertheim trok in 2015 volle zalen met zijn voorstelling Voor zichzelf, wat volgens hem meer zei over het publiek dan over de voorstelling: publiek kwam vooringenomen naar het theater, zei hij, ze zouden het hoe dan ook grappig gaan vinden. De kunstenaar kon net zo goed wegblijven.

Dat toeschouwers verwachten te gaan lachen bij cabaret mag niemand verbazen, maar dat een cabaretier dan maar besluit weg te blijven, des te meer. In het theaterseizoen 2016/2017 voegde Wertheim de daad bij het woord. De voorstelling Ergens anders zou ‘echt iets anders’ worden, een ‘pretentieus experiment’, aldus een vooraankondiging. Publiek kwam wederom in grote getale naar de theaters, maar Wertheim was tijdens de voorstelling letterlijk ergens anders, meestal gewoon thuis op de bank. Net als bij Mongiano was er wel een technicus aanwezig – geen voorstelling zonder technici, leve de technicus! – die een robot met Wertheims stemgeluid op het podium zette. Die robot gaf opdrachten aan het publiek, en via een koptelefoon die van hand tot hand ging volgden meer aanwijzingen. ‘Zo bouwde het publiek een decor’, schrijft Heesakkers, ‘of eigenlijk een voorstelling.’

Bijna overal waar Wertheim Ergens anders speelde, stormden boze toeschouwers de zaal uit en eisten hun geld terug. Wertheim ontving klachtenbrieven, er was zelfs een theater dat hem achteraf niet wilde uitbetalen. Hij had gehoopt met zijn publiek iets nieuws te kunnen proberen, omdat hij hun verwachtingspatroon – ‘dat wordt lachen!’ – wilde doorbreken. ‘Dat een publiek dat het niet begrijpt, de fout niet bij zichzelf zoekt, en dat sommige mensen de context – het is theater – vergeten, dat is een teken van deze tijd’, aldus Wertheim.

Geen voorstelling zonder publiek

Is dat zo? Dat weet ik niet. Het kan ook iets zeggen over het voorstellingsvermogen van cabaretpubliek. Een interessantere vraag, want wat betekent dat eigenlijk: (je) iets voorstellen? Je kunt een voorstel doen, iets opperen; je kunt een voorstelling opvoeren, zoals Mongiano; en je kunt iets voorstellen, een hele pief zijn, reëel of virtueel. Ik moet denken aan de film Paterson van Jim Jarmusch, waarin acteur Adam Driver een man speelt die Paterson heet, buschauffeur is in de gelijknamige stad en gedichten schrijft naar het voorbeeld William Carlos Williams, dichter van de bundel Paterson. (De film is qua namen een semiotisch spiegelpaleis.) Buschauffeur Paterson lijkt volmaakt tevreden met zijn regelmatige bestaan en neemt zijn kunstenaarschap ernstig, maar geeft nooit een voorstelling: hij laat niemand zijn gedichten lezen, ook niet zijn vriendin, en hij heeft geen Facebook, niet eens een computer.

Paterson mag dan een fictief personage zijn, zijn verhaal is van betekenis omdat Jim Jarmusch – in tegenstelling tot Paterson – zijn film (zijn voorstelling) niet voor zichzelf houdt, maar aan een publiek toont. Er is namelijk geen voorstelling wanneer er geen publiek is, omdat niemand zich dan iets voorstelt. Dat wil niet zeggen dat de voorstelling niets betekent voor de kunstenaar – die betekenis is als het goed is niet afhankelijk van kijkcijfers. Anderzijds is er geen publieke, gedeelde voorstelling zonder kunstenaar; publiek is dan niet eens publiek, want er valt nergens samen naar te kijken.

Wertheims voorstelling zonder kunstenaar bevestigt dit paradoxaal genoeg, doordat er wel degelijk iets door hem georganiseerd was waarmee het publiek zich gezamenlijk iets kon voorstellen, zij het moeizaam, omdat het een moeilijk stuk was en het publiek iets anders verwachtte. Dat een voorstelling een gezamenlijk product is van kunstenaar en publiek wordt door Ergens anderseigenlijk fraai bevestigd, ook al was de kunstenaar zogenaamd afwezig.

Kunstenaar en publiek werken samen

Om iets voor te stellen heb je een publiek nodig dat zich iets voorstelt, maar wat een kunstwerk voorstelt, valt niet af te lezen uit het aantal toeschouwers. Dat idee is nochtans wijdverbreid. Neem de reacties op het facebookbericht van de Volkskrant over Mongiano. Guido van Elsloo uit Schiedam schreef: ‘Kennelijk voorziet het werk van deze kunstenaar niet langer in een behoefte. Tijd voor iets nieuws lijkt mij.’ Theo Conijn uit Nijmegen verwoordde het zo (sic): ‘waarschijnlijk is dit zwaar gesubsidieerde “cultuur”. Als je iets maakt en uitvoert wat het “publiek” leuk of interessant vindt, komen de zalen echt wel vol en is subsidie niet nodig!’ Kijkcijfers zijn in die opvatting leidend voor het vaststellen van de waarde van een kunstwerk, en kunstenaars die geen publiek vinden zijn overbodig, want ongewild.

Publiek dient echter nooit ter legitimering van een kunstenaar, en daarom is het goed dat Mongiano zijn voorstelling toch speelde. Niet als publiek statement tegen de spektakelmaatschappij van likes en volgers op sociale media, zoals de columnist van de Corriere della Sera het noemde, en ook niet omdat het aantoont dat publiek niet nodig zou zijn, zoals Olaf Tempelman van de Volkskrant schreef.

Juist het tegenovergestelde: het is goed dat Mongiano zijn voorstelling speelde, want daarmee toonde hij aan dat er geen sprake is van een voorstelling als er geen publiek aanwezig is met een voorstellingsvermogen; dat een man op een toneel niets verbeeldt wanneer er niemand is om zich daarbij iets te verbeelden; en dat een monoloog niets betekent wanneer er geen publiek is om daar betekenis aan te geven. Een toneelspeler zonder publiek is niet meer dan een doodgewoon mens op een verhoging.

Dit essay werd gepubliceerd door Rekto:Verso. Het kwam tot stand in samenwerking met De Nieuwe Garde en Rekto:Verso.