Laatst at ik bij een fastfoodrestaurant een hamburgermenu. Na het eten vormde zich een dik slijm in mijn keel, dat ik kuchend naar de mond schraapte en met wat drinken wegspoelde. Niet veel later at ik een Turks vleesgerecht in een opgerolde pannenkoek, en ook toen vormde zich keelslijm, en ik hoestte als een verstokte roker.
‘Ah’, zei een vriend die doctor is in de snackbarologie, toen ik hem erover vertelde. ‘De vleesrochel.’ Een vanzelfsprekende samenstelling, maar nergens zo beschreven, aldus een online zoekmachine. ‘Your search did not match any documents.’ AI doet niet eens een poging het woord te duiden. Ik definieer het als: ‘Het ophoesten van slijm na het eten van vlees.’
Rochel is een klanknabootsend woord – ‘onomatopoëtisch gevoeld’, aldus een etymologisch woordenboek. Om zulke naslagwerken te doorgronden moet je taalkunde hebben gestudeerd, en ik ben maar een simpele tekstwerker, een prostyptué, maar ik leid er wel uit af dat ‘hrog’ ooit neusslijm heeft betekend. Die begin-h drukt het in de keel trekken van neusslijm goed uit, waar keelslijm beter met de r-achtige g-klank naar boven wordt gebracht, grog – tevens iets wat ik na een vleesrochel graag zou drinken.
Rochelen heeft ook schreeuwen en hinniken betekend, een variant op ‘rochen’, dat knorren is, maar daarvan is na het eten van een big mac geen sprake, tenzij het schreeuwen is van teleurstelling.
Thuis eten wij lokaal geproduceerd biologisch vlees, wij zijn groenlinkse carnivoren, en dat resulteert nooit in een vleesrochel. Dus wellicht moet de definitie vermelden dat het vooral bij vlees van lagere kwaliteit voorkomt, al kan de vleesrochel in theorie ook met de bereidingswijze te maken hebben. Die vraag gaat de taalwetenschap te boven.
Geschreven voor de Volkskrant