in Fictie

Het systeem: relaas van een voetbalscheidsrechter

In de eerste helft van 2018 schreef ik als leerling aan de Schrijversvakschool een verhaal over de jonge voetbalscheidsrechter Cas Sanders, zich afspelend in het jaar 2039. Sanders ligt in de clinch met de voetbalbond, omdat deze een nieuw ‘systeem’ gaat invoeren om het betaald voetbal aantrekkelijker te maken om naar te kijken. Lees hieronder, na een citaat van de legendarische Collina en een pompeus wetenschappelijk voorwoord, het relaas van de door mij verzonnen scheidsrechter Cas Sanders.

 

“Laten we het dan hebben over ‘moed’, over de moed om beslissingen te nemen, moeilijke, belangrijke beslissingen. Beslissingen die zo belangrijk zijn dat de arbiter in situaties geraakt waarin hij opvalt, waar hij een hoofdrolspeler wordt, niet dé hoofdrolspeler, van een wedstrijd. De beste arbiter is de scheids die deze moed heeft, die ook beslissingen neemt wanneer het makkelijker zou zijn om dat niet te doen en het probleem uit te stellen tot een later tijdstip, na afloop van de wedstrijd. Dat is de belangrijkste eigenschap, en mijn raad aan een jonge scheidsrechter is: leer direct vanaf het begin om moedig te zijn.” – Pierluigi Collina, De regels van het spel

 

Wetenschappelijk voorwoord
Dankzij geleerde publicaties als professor L.S. de Jongs veertiendelige reeks Systeemtheorie- en praktijk: het Nederlandse profvoetbal 2036-2045 en het populairwetenschappelijke Unscrewing The System van de Britse onderzoeksjournalist Malcolm Buruma, alsmede de abondante hoeveelheid populaire cultuur die hieraan ontsproten is – ik noem hier slechts Doorgestoken kaart, daar die film internationale faam geniet, ondanks de vele anachronismen – mag worden aangenomen dat het voetbalschandaal dat zich in onze nabije geschiedenis voltrokken heeft, onder het bewind van de Koninklijke Nederlandse Nike Voetbal Bond (KNNVB) en onder de noemer ‘Nike Superdivisie’ of kortweg ‘het systeem’, bij de gehele bevolking inmiddels in die mate bekend is dat het hier geen nadere introductie behoeft.

Voetbal is volkssport nummer één, ook na de teloorgang van de UEFA en de FIFA in de tweede helft van de jaren twintig, en een schandaal binnen die volkssport, zeker één met dergelijke proporties, roert zijn staart door alle lagen van de bevolking. Dat zelfs kinderen vandaag de dag alle ins en outs van het systeem kunnen opdreunen, is te danken aan het goede werk van vele kinder- en jeugdprogrammeurs in ons nationale Apple-onderwijs.

Het recentelijk ontdekte notitieboek van scheidsrechter Cas Sanders (2009-2039) bevat geen grote historiografische onthullingen, daar de grote lijnen inmiddels alom bekend zijn. Toch is dit egodocument van (geschied)wetenschappelijk en politiek belang, om tenminste vier redenen: de aantekeningen van de heer Sanders laten zien hoe de Nike Superdivisie aan het einde van de derde en het begin van de vierde fase van haar ontwikkeling[1] tot stand kwam op de KNNVB-campus te Zeist; Sanders’ verslag demonstreert hoe ver de voetbalbond, dat wil zeggen: zijn dagelijks bestuur, bereid was te gaan om individuele leden – die overigens in meerderheid bereid waren zich te conformeren, in ruil voor royale honoraria – in het gareel te houden; door de breedvoerige wijze waarop Sanders zijn ervaringen heeft verwoord, vol details die stroken met bekende feiten, schetst zijn verhaal een leerzaam en toegankelijk beeld van institutionele en ideologische druk op het leidinggevende individu in de eerste helft van de 21e eeuw; Sanders’ gebruik van leestekens is voer voor sociolinguïsten gebleken, getuige de onderzoeksgroepen die zich, reeds vóór publicatie van dit manuscript, op zijn aantekeningen hebben gestort.[2]

Deze uitgave is het sluitstuk van een curieuze keten van gebeurtenissen. Tijdens de verbouwing van het voormalige KNNVB-complex te Zeist tot Nationaal Voetbal Historisch Museum in mei 2047, stuitten twee montagebots van de firma Wallaard uit Noordeloos bij het demonteren van een systeemplafond in het voormalige Teamhotel op een rode opbergmap. De kunststof map met zwarte elastieken werd afgeleverd bij projectleider Cornelis Wallaard, die op dat moment van de lunch gebruikmaakte in de schaftkeet. Protocol schreef hem voor om dergelijke vondsten aan gemeentelijk archeoloog dr. H. Schielman voor te leggen, maar omdat Wallaard die dag ‘veel aan zijn hoofd had’, zoals hij later zou verklaren, wierp hij de opbergmap met daarin het volgeschreven notitieblok direct na zijn lunch in een nabijgelegen papiercontainer.

De aantekeningen van Cas Sanders waren voor de eeuwigheid verloren gegaan, ware het niet dat de plastic map bij de tijdelijke dependance van Inzamelbedrijf Midden Nederland door een sorteerbot van de band werd gehaald voor nadere inspectie. Dienstdoend opziener was Joanne Huizen, een recentelijk aan de UUU afgestudeerd historica die door een uitzendbureau tijdelijk bij het afvalverwerkingsbedrijf was aangesteld. Mevrouw Huizen hield zich juist op bij de koffie-automaat, gesitueerd naast de korf met non-papier, op het moment dat de rode opbergmap met aantekeningen daarin gedeponeerd werd. We hebben het aan de alertheid en curiositeit van mevrouw Huizen te danken dat de notities van voetbalscheidsrechter Cas Sanders voor nader onderzoek bewaard zijn gebleven. In de afgelopen jaren promoveerde dr. Huizen onder mijn supervisie op deze bijzondere tekst, die met haar excellente dissertatie en deze publicatie nu de plaats in de Nederlandse (sport)geschiedenis krijgt die hij verdient.

Ik wil de KNAVB hartelijk bedanken voor zijn openheid na de hervormingen, en voor de steun en hartelijkheid tijdens de bezorging van dit markante egodocument. Omwille van de toegankelijkheid bevat deze uitgave geen notenapparaat. Daarvoor verwijs ik u naar mijn academische naslagwerk, De sleutel tot het systeem: voetnoten bij het relaas van Cas Sanders.

Prof. dr. B. Kervoek
Sporthistorische Faculteit
Unilever Universiteit Utrecht

Noten
1. Raxton, P. (2049). The Five Stages of Systemism. The Journal of Modern History, 121(2), 13-21. De vijf fasen zijn (1) wording, (2) rijping, (3) invoering, (4) radicalisering en (5) zelfvernietiging.
2. Blommert, J. (2050). Investigating Ideology and Language in the Dutch Soccer System. Sociolinguistic Studies, 44(2), 7-10. Voor de leesbaarheid van deze tekst is de interpunctie in deze uitgave van Sanders’ relaas vereenvoudigd.

 

Hoofdstuk 1
‘Hé scheids, hond vergeten?’

‘Hè, hond?’

‘Ja, blind en geen hond?’

Teringhond, hondenlul, lulhannes. Ik heb het allemaal gehoord. Blinde tyfusmol, daar heb ik eens een rooie voor gegeven. Wat roepen moet kunnen, zeker als geintje, maar er zijn grenzen. Voetbal is emotie, maar van de scheids blijf je af. Ik heb heus niet alles goed gedaan. Heus niet. En ja, ik heb óók getekend. Maar dit had ik niet voorzien. Nu ga ik toch ingrijpen. Overtredingen dienen gerapporteerd te worden. Dan maar een mol, maar blind ben ik niet.

Hoe dichter je op de situatie zit, hoe geloofwaardiger je beslissing. Ik zit er vanaf de eerste minuut bovenop. Nu zullen ze het weten ook. Ernstig gemeen spel, dat spelen ze. Daar staat een rode kaart voor, plus een schorsing. En dan hebben we het niet over drie wedstrijden.

Mijn naam is Casper Sanders. Ik ben scheidsrechter betaald voetbal. Althans, dat was ik. Ik weet niet of ik het nog steeds ben, officieel gezien. Vanmiddag zou ik de openingswedstrijd van de nieuwe Superdivisie fluiten. De Klassieker. Daar was het me eigenlijk allemaal om te doen. Maar ik zit al anderhalve dag vast. Mijn oog is dik en blauw, mijn hart hamert tegen mijn borst en mijn tong ligt als een koude frikadel in m’n mond. Ik had verwacht bozer te zijn. Misschien komt dat nog.

Eergisteren stond Mortier ineens in mijn kamer. Buiten hoosde het, binnen was het tropisch warm. Ik lag in mijn onderbroek de VN te lezen, die met Temmer en de schaal op de voorkant, en schrok me een hartverlamming van het gebonk op mijn deur. De muren trilden ervan. Bijna tikte ik met mijn elleboog mijn glas van mijn nachtkastje. Mortier zwaaide de deur open en ging wijdbeens voor me staan, zijn handen op zijn rug, net een militair. Zijn kop glom van de regen. Blij keek hij niet, dat doet hij nooit. Zijn zwarte laarzen en lekkende regenjas maakten donkere vlekken in de blauwe vloerbedekking. 

‘Sanders, meekomen,’ brieste hij.

‘Wat?’

‘Meekomen.’

‘Meekomen? Waarheen? Waar is Willems?’

‘Geen idee.’

‘Geen idee waarheen?’

‘Geen idee waar Willems is. Jij en ik gaan naar Temmer.’

‘Kan Temmer niet hierheen komen?’

‘Niet zo bijdehand, Sanders. Leg dat blaadje weg en trek je pak aan.’

Ik had een paar dagen ziek op bed geleden. Menkel had me aanbevolen rust te houden. Nu voelde ik me fit genoeg om weer naar huis te gaan. Misschien wou Temmer me daarom spreken. Ik legde de Voetbal National op mijn nachtkastje en dronk mijn glas leeg. Mortier stond in mijn kast te rommelen.

‘Heb jij geen regenjas?’ vroeg hij.

‘Nee.’

‘Paraplu?’

‘Ook niet. Wil je niet in mijn kast neuzen?’

‘Hm,’ bromde hij. ‘Drie minuten. Ik wacht buiten.’

Ik trok mijn trainingspak aan en poetste mijn tanden. Ik zag er niet uit. Dikke rode stoppels, mijn haren veel te lang. Net een of andere kunstschilder.

‘Lopen maar,’ zei Mortier op de gang. Zijn regenjas piepte en kraakte bij elke stap, zo strak zat hij. Op de gang beneden was het donker. Je hoorde de wind suizen.

‘Een paraplu was geen overbodige luxe geweest, Sanders.’

‘Die waait kapot met deze wind.’

‘Niet zo bijdehand, we zijn niet op schoolreisje. Zet je schrap.’

Het was alsof iemand bij het openen van de schuifdeuren een volle bidon in mijn gezicht leegspoot. Het kronkelpad was in een beek veranderd, de regendruppels kletterden in de plassen en de bomen leken te dansen in de wind. Boven het bos klonk gedonder en in de ruiten van het hoofdkantoor weerspiegelde een bliksemschicht. Ik probeerde de diepste plassen te vermijden maar had binnen vijf seconden natte sokken. ‘Doorlopen,’ brulde Mortier. Zijn stem kwam amper boven de gierende wind uit.

Als een drenkeling stond ik op de drempel van Temmers kantoor. ‘Jezus, Casper, wat zie jij eruit. Reinold, haal onmiddellijk een handdoek voor scheidsrechter Sanders.’ Mortier verdween op een drafje de trap af. Je hoorde zijn jas nog piepen nadat hij de hoek om was. Temmer haalde diep adem en wees me een stoel, naast het tafeltje met het portret van zijn vrouw erop. Zelf ging hij voorop zijn bureau zitten. Hij droeg een donkerblauw pak met een rode stropdas. ‘Casper, Casper,’ zuchtte hij. 

Ik veegde met mijn mouw de druppels van mijn voorhoofd. ‘Ach, een buitje. Valt mee. Zeg, ik voel me stukken beter. Ik dacht eraan om…’ 

‘Het valt helemaal niet mee,’ onderbrak Temmer me. ‘Als het zo doorgaat kunnen we de hele eerste ronde afgelasten. Een inslag en alles ligt plat. Man o man.’ Hij stond op, hing zijn jasje over zijn stoel en ging met zijn hoofd in zijn handen bij het raam staan, met z’n rug naar me toe. In het schijnsel van de masten rond het hoofdveld zag je hoeveel regen er viel. Een seconde of tien was Temmer stil. Je hoorde alleen het suizen van de wind.

‘Casper Sanders,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik ben je namens mijzelf, de staf en de gehele bond excuses verschuldigd.’ Hij wreef zijn handpalmen tegen elkaar en staarde naar buiten, in de richting van de poort, alsof hij een pizza besteld had die elk moment bezorgd kon worden. ‘Je voelt je onheus bejegend, beperkt in je vrijheid en niet gerespecteerd,’ ging Temmer verder. ‘En dat terwijl je je al jaren verdienstelijk maakt voor de bond. Dat spijt me. Dat spijt de gehele bond. Niemand in onze gelederen heeft kwaad in de zin tegen de persoon van Casper Sanders.’

‘Mooi,’ zei ik. ‘No hard feelings.’ Ik haalde een hand door mijn natte haren en schaamde me een beetje dat ik al zo lang niet naar de kapper was geweest. ‘Kil,’ zei ik plechtig. ‘Ik wil ook mijn excuses aanbieden, namens mezelf.’ Hij draaide zich naar me toe en keek me verbaasd aan. 

‘Jij?’

‘Ja. Mijn excuses dat ik twijfelde. Een scheidsrechter moet niet twijfelen. Je had gelijk. Het betaald voetbal heeft het systeem nodig en het systeem heeft mij nodig. Ik ga me voor tweehonderd procent inzetten om mee te draaien. Laten we de hele episode vergeten.’

Temmer staarde de regen in. Zijn wangen leken meer dan anders onderhevig aan zwaartekracht. ‘Casper Sanders,’ zei hij. Je zag zijn adem tegen de ruit slaan. ‘Casper Sanders.’ Hij ging voorop zijn bureau zitten, tegenover me, en voelde aan zijn zegelring. ‘Kijk me eens aan,’ zei hij, ‘en zeg dat laatste nog eens.’

‘Dat we de hele episode maar moeten vergeten?’

‘Nee, dat andere.’

‘Dat ik me fit voel?’

‘Nee,’ zei hij, heel zacht. Zijn wangen trilden. ‘Dat over het systeem.’

‘Dat het systeem mij nodig heeft?’

Hij zweeg, spande zijn lippen als een trompettist, ademde diep in door zijn neus en gaf me  toen met zijn vlakke hand een zwieper in mijn gezicht.

Het ging verdomd snel. Ik ken Kil al jaren, hij staat bekend als een doortastend bestuurder met een hands-on-mentaliteit, maar een gewelddadige handeling had ik niet van hem verwacht, zeker niet tegen mij als scheids betaald voetbal. Hij schreeuwde: ‘Niemand heeft jou nodig! Heb je dat begrepen!’ Mijn wang gloeide alsof ik te lang in de zon had gezeten, ik hoorde een piep in mijn oor en mijn hart ging vreselijk te keer. Een seconde of drie, vier keek ik naar het portret van zijn vrouw, naar haar witte tanden en haar ondeugend zelfverzekerde blik. Echt zo’n vrouw door wie je van theater gaat houden. De druppels waren door de klap in mijn gezicht over het fotolijstje gevlogen, en biggelden nu naar beneden over haar wangen.

Waar heb ik die dreun aan te danken? Wat heb ik nu weer verkeerd gedaan? Ik geef toch aan dat ik wil meedraaien? Dat het me spijt? Waar haalt hij het gore lef vandaan?! Dergelijke vragen raasden door mijn hoofd tot ik Mortiers piepende regenjack terug de trap op hoorde komen. Hij had een opgevouwen witte handdoek bij zich en wierp die in mijn schoot. Het logo van de bond was erin geborduurd, die valse leeuwenkop met z’n uitgestoken tong.

Temmer deed net of er niets gebeurd was. ‘Bedankt, Reinold,’ zei hij. ‘Sluit de deur. Ik ga jullie iets laten zien.’ Mortier stond schuin achter me, naast de deur, als een beveiliger. Ik depte mijn gezicht en mijn haren met de zachte handdoek. Hij rook nieuw en voelde koel aan tegen mijn tintelende wang. Temmer pakte zijn schermpje van zijn bureau en veegde met zijn vingers richting de grote tv aan de muur. ‘Kijk hier eens naar, Casper.’

Ik zag niets, was nog verdoofd door die oplawaai van net. ‘Hè, verdomme,’ zei Temmer na een paar seconden. ‘Mortier, help eens.’ Mortier stond in twee stappen voor het scherm en drukte met zijn worstenvingers een paar knoppen in. Op het scherm verscheen een stilstaand beeld van mijzelf. Ik krijg als scheids regelmatig beelden van mezelf te zien, maar nooit eerder van een vertrouwelijk gesprek met de sportarts. Daar zat ik, in Menkels spreekkamer, diep weggezakt in zijn bank, met mijn benen op een poef en een ganzenwijntje in mijn hand. De ochtendzon scheen gelig tegen de muur boven Menkels opgeruimde bureau.

‘Wat is dit?’ begon ik.

‘Kijk en luister maar.’

‘Valt dit niet onder beroepsgeheim?’

‘Casper, alsjeblieft. Hè, kloteding.’

Het duurde even voor Temmer de playknop had gevonden. Er was een aantal fragmenten achter elkaar geplakt. Ik zag en hoorde mezelf praten. ‘Nee, ik voel me daar niet goed bij… Ik geloof dat de competitie gebaat is bij een gelijkwaardige uitgangspositie… Toeval is essentieel voor de sport… Vooraf staat nu al vast wie kampioen wordt… Het geld corrumpeert alles… Dit is de nagel aan de kist van het voetbal…’

Wat er door me heen ging? Ik was stomverbaasd. Dat ik stiekem gefilmd ben was nog tot daaraan toe, maar ik kon me niet herinneren deze dingen gezegd te hebben. Ik had bedenkingen, ja, maar die heb ik stilgehouden. Niet alleen om het contract, ook vanwege mijn pa. Ik geloofde mijn ogen en oren niet. 

‘Meneer Sanders,’ hoorde je Menkel zeggen met z’n droge kurkstem. ‘Mocht u in de gelegenheid gesteld worden op vrije voeten deze loverrijke campus te verlaten, wat zou u dan ondernemen om uw idealen te verwerkelijken?’

‘Nou komt het,’ zei Temmer.

Ik had geen idee wat er kwam.

‘Dan hang ik alles aan de grote klok,’ zei ik.

Het scherm ging op zwart. Temmer kwam voor me staan.

‘Begrijp je dat ik me zorgen maak, Casper?’

‘Wat is dit?’ vroeg ik. ‘Proberen jullie me erin te luizen? Dit kan niet waar zijn.’ Ik wilde opstaan, maar Temmer duwde me terug in mijn stoel en sloeg me nog eens, nu met de achterkant van zijn hand. Zijn stropdas zwiepte ervan. Zijn zegelring landde vol op mijn jukbeen en liet een felle pijnscheut door mijn schedel schieten. Ik voelde mijn hart in mijn slapen bonzen. Met ogen dicht en mijn handen voor mijn gezicht wachtte ik op de volgende. Die kwam niet. Ik opende mijn ogen en zag dat er bloed op de witte handdoek zat.

De kunst van het fluiten is je emoties beteugelen, maar nu werd het me even te veel. ‘Wat doe je, Kil?!’ gilde ik. ‘Ben je gek geworden?’

Temmer zweeg, masseerde zijn knokkels en voelde aan zijn ring. Ik deed nog een poging tot opstaan maar Mortier greep me van achteren bij mijn schouders. God, wat is die vent sterk.

‘Laat me los! Godverdomme laat me los!’

‘Stel je niet aan, Casper,’ zei Temmer. ‘Je hebt het ernaar gemaakt. De beelden liegen niet. De beelden liegen nooit.’ Hij schoof een bureaula open en haalde een koffertje tevoorschijn. 

‘De beelden liegen niet,’ herhaalde Mortier.

‘Bemoei je er niet mee, Reinold,’ zei Temmer.

‘Kil?’ vroeg ik, met bevende stem. ‘Wat is er aan de hand?’ 

‘Wat er aan de hand is, Casper, is dat jij het systeem in gevaar brengt.’

‘Het systeem kan mij verrotten!’

‘Je bent onbetrouwbaar, Casper. Een gevaar.’

Ik probeerde me los te rukken uit Mortiers greep, waarop hij een nekklem toepaste. Alle kracht vloeide uit mijn lichaam weg. Ik zag de afgelopen weken aan me voorbij trekken: de begrafenis, het trainingskamp, Temmer, Menkel, Hartman. Toen ik bijkwam zaten mijn handen op mijn rug en mijn voeten aan mijn stoel gebonden. Normaal ken ik mijn handenbinders, maar deze zag ik niet aankomen. Ik geloof dat Mortier de witte handdoek met zijn blote klauwen in repen heeft gescheurd. Temmer had een metalen tang vast die me aan mijn nieuwe barbecue deed denken.

‘We hebben de pers ingelicht over je blessure,’ zei hij. ‘Je blijft voor onbepaalde tijd op de campus om te revalideren. Struinen is niet toegestaan. En tijdens het openingsweekend blijf je op je kamer. Je laat ons geen keus.’

Zijn kantoor tolde om me heen. De blauwe vloerbedekking gaf me het gevoel op woelig water rond te dobberen. ‘Op mijn kamer?’ zei ik. ‘Ik ben toch geen kind?’ Ik voelde Mortiers dikke vingers in mijn wangen knijpen en probeerde mijn hoofd weg te draaien, maar dat ging niet. Met een hand op mijn voorhoofd en zijn andere rond mijn onderkaak trok hij mijn mond open. 

‘Zie dit als een waarschuwing,’ zei Temmer. Hij kwam voor me staan, stopte de tang in mijn mond en trok mijn tong naar buiten. In zijn andere hand hield hij een grote schaar. Ik bewoog mijn kaak zo ver mogelijk naar voren in een poging de pijn te verzachten, waardoor er veel druk op mijn nek kwam te staan. Achter in mijn mond proefde ik de metalige smaak van bloed. Met al mijn kracht probeerde ik me los te rukken, maar Mortier had me nog steeds in een houdgreep. ‘Rustig, jochie,’ zei hij. ‘Ontspan je maar gewoon. Het is zo voorbij.’

Als scheidsrechter maak je een hoop ellendigs mee, maar dit sloeg alles. Ik zat te rillen op mijn stoel. De laatste keer dat ik zo bang was, was ik een jaar of negentien. Ik had de spits van een derdeklasser rood gegeven. Woest was-ie. ‘Over vijf minuten schiet ik je dood!’ schreeuwde hij. ‘Dat komt mooi uit,’ zei ik. ‘Ik draag al zwart, dus ik ben erop gekleed.’ Vier medespelers waren nodig om hem van het veld te escorteren. Het spel ging verder, maar ik hield hem met een half oog in de gaten. Zag ik hem naar zijn auto lopen en de kofferbak openmaken! Even was ik bang dat hij een geweer tevoorschijn zou halen, maar het viel mee. Het was slechts zijn sporttas.

Nu viel het niet mee. Temmer bleef aan mijn tong trekken en keek me strak aan. Zijn bril stond scheef en hij zweette. ‘Als jij ooit iets aan iemand vertelt,’ siste hij, ‘al is het maar tegen het graf van die dooie pa van je, dan snijd ik persoonlijk je tong uit je mond. Is dat begrepen?’ Het voelde alsof mijn tong uit mijn keel zou scheuren als ik maar een millimeter met mijn hoofd zou bewegen, dus in plaats van te knikken probeerde ik ‘ja’ te zeggen, maar dat lukte niet.

‘Meneer Temmer vraagt of je het begrepen hebt,’ fluisterde Mortier in mijn oor.

‘Huh,’ bracht ik voort. Het klonk als kokhalzen.

‘Beloof je dat je je gaat gedragen?’

‘Huh!’ 

‘Mooi,’ zei Temmer. ‘Dit is om je aan die belofte te herinneren.’ Hij had een doktersspuit in zijn hand, tikte er met zijn duimnagel tegenaan en sproeide een paar druppels van de gele vloeistof de lucht in. Diep stak hij de naald in mijn tong.

 

Hoofdstuk 2
Zo begon het. Hoe ik op mijn kamer ben gekomen weet ik niet. Ik werd laat wakker, met koppijn en een tong als een grillworst. Op mijn bureau stond een koud bord pasta en een doos sportrepen, waarvan de meeste nu op zijn. Aan de kapstok hing een nieuwe regenjas, dat dan weer wel, maar daar heb ik tot nu toe niks aan. Het is nog donker buiten. Raar: ik voel weinig, maar als ik stop met schrijven begint mijn handen te bibberen. Alvast excuses als mijn proza al te bloemrijk is. De regels kennen en toepassen is één, maar je moet het ook kunnen verkopen.

Hoe lang sinds het trainingskamp? Ik ben het even kwijt. Mijn kamer kan ik inmiddels dromen. Het zwevende bed dat aan de oranje muur hangt, het grijze nachtkastje, het raam dat niet open kan. Alsof mensen niets liever doen dan zich van twee hoog op straat werpen. Boven mijn bureau hangt een zogenaamd inspirerende tekst. ‘I can accept failure, but I can’t accept not trying.’ Dat zal best, maar ik krijg de deur met geen mogelijkheid open. Ik heb zelfs geprobeerd mijn bureaustoel door mijn ruit heen te gooien, maar die geeft niet mee.

Ik kan nog steeds niet geloven dat ze me van de Klassieker hebben afgehaald. Vanmiddag om half drie zou ik daar staan. Fluiten in een volle Kuip, daar was het me allemaal om te doen. Oké, het geld was mooi meegenomen, al heb ik spijt dat ik meteen een SUV gekocht heb. Maar die wedstrijd, daar deed ik het voor. Bij ons thuis was de Klassieker heilig. Pa keek altijd samen met ome Gerrit. Ik herinner me een wedstrijd van een jaar of twintig geleden. Die dag kocht ik voor het eerst een krat bier bij de slijter en reed die op mijn skelter terug naar huis. Ik was een jaar of tien. Pa en zijn broer zaten al klaar op de bank, met bier in hun hand.

‘Goed zo, neef,’ zei ome Gerrit. ‘Wat zei Van Essen?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Niets. Ik zei dat het voor papa en jou was.’

Mijn oom knikte tevreden. ‘Mooi. Het wisselgeld mag je houden.’

‘Ho ho,’ zei mijn vader. ‘Wie heeft die jongen naar de winkel gestuurd, jij of ik? Dat is makkelijk uitdelen, van andermans centen.’

‘Stop het maar in je spaarpot, hoor,’ knipoogde m’n oom.

Ze hadden allebei een rood-wit hart en dito kleding, maar pa was voor Feyenoord en ome Gerrit voor Ajax. Wedden deden ze sinds een jaar of vier. Eerst voor één kratje, toen voor twee, dan voor vijf. Dat was te veel om te sjouwen, vonden ze, dus stelde ome Gerrit voor dat ik het zou opschrijven. Er was toch altijd genoeg bier in huis, zeker na de dood van mijn moeder.

‘Hoeveel staat het nou in het krattement?’ vroeg pa. Die term had hij zelf verzonnen.

Ik keek in mijn schriftje. ‘Jij staat op 42, ome Gerrit op 24.’

Mijn oom dronk zijn glas leeg en wreef met zijn mouw langs zijn snor. ‘Na vandaag op 36, let maar op,’ zei hij. Hij voelde aan een flesje in het nieuwe krat. ‘Laat je spierballen eens zien?’

Ik klemde mijn schrift tussen mijn knieën en spande mijn biceps.

‘Zo, jij wordt al een hele kerel,’ zei hij. ‘Je kunt dat bier vast wel even naar de keuken tillen met die spierballen van je. Zet het maar voor de koelkast. En pak er meteen twee koude uit.’

Zelf ben ik nooit voor een club geweest. Even was ik voor Utrecht, tot mijn oom me vertelde dat Utrechtenaren homo’s zijn die toch nooit kampioen worden. Na een gelijkspel tussen Feyenoord en Ajax hoorde ik iemand op tv zeggen dat het voor de neutrale toeschouwer een mooie wedstrijd was. Dat vond ik ook, dus besloot ik voortaan een neutrale toeschouwer te zijn.

Ik hield in mijn schriftje van alles bij over de Klassieker: de doelpuntenmakers, de uitslagen, de wissels, de kaarten. Die dag floot Kuipers, een van mijn favorieten. Pa noemde hem een oetlul nadat hij Jørgensen zijn tweede gele gaf. Je mocht in die tijd nog buitenlanders opstellen. Het werd 2-0 en ome Gerrit kwam zoals voorspeld op 36 kratten te staan. 

Ik heb dat nog jaren gedaan, de punten bijhouden, twee keer per jaar en soms voor de beker of de JC-schaal. Het niveau werd minder, de sfeer grimmiger, en pa en ome Gerrit dronken telkens meer. Mijn oom liep flink uit omdat hij altijd 0-0 gokte. ‘Voor mij een brilletje, Cas,’ zei hij dan, en maakte van zijn vingers een verrekijker. Pa vond dat flauw en ze kregen vaak ruzie. Op een zondag in maart smeet mijn pa van boosheid een flesje kapot tegen de muur. ‘Broer,’ zei mijn oom geschrokken. Het huis rook nog maanden naar oud bier.

Op een wintermiddag belde hij. Ik zal een jaar of vijftien geweest zijn.

‘Neef,’ zei hij, ‘hoeveel staat het nou?’

‘Uhm, 112 voor pa, 179 voor jou,’ wist ik uit m’n hoofd.

Je hoorde ‘m rekenen. ‘Eens zien, 9 min 2 is 7, 7 en 1 is… Help me even.’

‘Je staat er 67 voor.’

‘Dank je, neef. Is je pa d’r ook?’ Hij klonk vermoeid.

Pa pakte de telefoon van me over. ‘Wat is er, broer?’ vroeg hij.

‘Ik krijg nog 67 kratten van je en die kom ik volgend weekend halen,’ tetterde mijn oom door de telefoon.

‘Hoezo?’ vroeg pa. ‘Hallo? Hè, opgehangen.’ 

Ome Gerrit zat flink in de schulden, hoorden we later. Pa, die zichzelf altijd een man van eer en geweten noemde, heeft bij slijterij Van Essen 67 kratten besteld. Hij overwoog nog om Judas-bier te kopen, maar dat was ‘m te duur. Het was al duur zat. 

Die zaterdag stond er een pallet met 67 groene kratten in de achtertuin. Ze namen minder plek in dan ik had verwacht. De buurman vroeg of we een feest gaven. Pa zat heel de dag op de bank sjekkies te roken. Hij stond alleen op als zijn flesje leeg was. ‘Nog eentje van Gerrit,’ zei hij als hij een nieuwe opende. ‘Eentje van je ome Judas.’

Aan het eind van de middag ging de telefoon. ‘Zal je ‘m hebben,’ bromde mijn pa, maar het was ‘m niet. ‘Spreekt u mee. Wat zegt u? Ja, dat is mijn broer. Wat zegt u? Hoezo? Wat?!’ 

De bus van ome Gerrit had zichzelf om een boom heen gevouwen. Hij was op dat moment al dood, zij de dokter. Hartstilstand. Van Essen was een christelijk man en nam de kratten terug, al had hij eigenlijk geen plek voor al dat bier in zijn winkeltje. Heineken was nog weken in de aanbieding. Pa heeft daar de meeste van teruggekocht, want na de begrafenis ging hij nog meer drinken. ‘Daar heb ik ooit nog een mooie winst op gepakt,’ zei hij nog jaren als iemand hem een Heineken voorzette.

 

Hoofdstuk 3
Tot woensdagavond10 augustushad ik never nooit iets gezegd. Tegen niemand niet. Alleen pa heb ik het verteld. Maar verder zweeg ik als het graf. Kil Temmer heeft me aan de praat gekregen. Ter afsluiting van het trainingskamp dineerde hij met ons, de Masterclass Superdivisie. Hij droeg een zwart pak met een blauwe das en schoenen met een dubbele gesp. Hartman en Menkel waren er ook. Hartman vond het ‘een hele eer’, al zat hij als enige in z’n trainingspak aan tafel. Menkel zweeg. We aten aan een lange tafel in het verder uitgestorven trainingscentrum. Blauw tafellinnen, kunstbloemen, fruitsap uit champagneglazen. Er was geprobeerd er iets van te maken. De sfeer was voorzichtig ontspannen. Tot ik een grap maakte.

Na het hoofdgerecht hield Temmer een bevlogen speech over de revival van het betaald voetbal. Zonder ons was die niet mogelijk. Volgens mij bedoelde hij vooral zichzelf. Innovatie, daar draaide het om, dat was de kracht van de bond. Zijn stem galmde door de lege ruimte. ‘In de afgelopen decennia is onze nationale trots verworden tot een donkere kermis na sluitingstijd, met zeildoek over de attracties.’ Dat was mooi gezegd. ‘Nu kleurt de horizon langzaam oranje. Met de invoering van de Superdivisie zal het voetbal weer een feest zijn van speels, kleurrijk voetbal.’ Hij ging erbij staan en bracht een toast uit op de nieuwe competitie. ‘Op jullie gezondheid,’ zei Hartman. We tikten de glazen tegen elkaar, een getingel van heb ik jou daar. Sommige collega’s glommen van trots. ‘Zonder scheids geen voetbal,’ eindigde Temmer. Menkel knikte.

‘Nu maar hopen dat er geen whistleblowers aan tafel zitten,’ zei ik.

Het viel stil. Eerst dacht ik dat ze mijn grap niet begrepen hadden, daarna dat het gebulder nog wel zou losbarsten, maar dat mijn tafelgenoten een paar tellen nodig hadden om hun volle buiken voor te bereiden op een daverend lachsalvo, terwijl mijn grap nog nagalmde in de spelonken van hun zogenaamd rechtschapen geesten. Maar het bleef stil. Niemand lachte. Zelfs Nijenhuis niet, die clown.

‘Snappen jullie?’ zei ik. ‘Whistleblowers, dat is Engels voor…’ Jool en Dirks keken me vermanend aan, zoals je een speler aankijkt die vlak na de aftrap met buitensporige inzet iemand onderuit maait, rijp voor rood maar te vroeg in de wedstrijd om hem al te geven. Iedereen zweeg. Alsof ik al hun moeders hoeren genoemd had. Ik haalde mijn schouders op. Een geintje moet kunnen, toch? Nemen we onszelf niet een beetje te serieus? Hartman keek naar zijn scherm, waarop hij nu waarschijnlijk een alarmerende grafiek te zien kreeg. Menkel verliet resoluut de tafel.

‘Juist, Sanders,’ zei Temmer. Daarmee leek de kous afgedaan.

Niet veel later werd het dessert opgediend, een kleine kampioensschaal van chocolade op twee ballen van ijs. ‘De mooiste ballen zitten in de broek van de scheids, vlakbij zijn fluit,’ doorbrak Jool de stilte. Daar konden mensen dan weer wel om lachen. Mijn ijs kwam als laatste. De balletjes lagen er slordig bij, lek geprikt leek het wel. Zo voelde ik me ook. Menkel schoof weer aan en knikte naar Temmer, alsof hij zojuist in zijn lab had vastgesteld dat mijn grap wetenschappelijk gezien waardeloos was. 

Collega Öztürk ging na twee happen van tafel omdat hij zogenaamd voor donker thuis wilde zijn, terwijl we hier allemaal om de hoek wonen en het nog geen negen uur was. Anderen volgden zijn voorbeeld, ook Hartman en Menkel. Uit schaamte bleef ik zitten tot iedereen weg was. Het ijs smaakte me totaal niet. Ik voelde me met elke hap misselijker worden en kon niet wachten om op mijn kamer eens goed te gaan kotsen. Temmer kwam naast me zitten en legde zijn hand vaderlijk over de rugleuning van mijn stoel.

‘Was dat nou nodig?’ vroeg hij.

‘Het was maar een geintje. Hallo, zeg.’

‘Iedereen staat onder druk. Jij ook. Zeker sinds je vader… Dit is geen tijd voor geintjes.’

Ik knikte, al vond ik niet dat het waar was. Geintjes verlichten de spanning, dat is op het veld net zo. Humor is belangrijk voor een scheidsrechter. Ik boerde binnensmonds.

‘Volgende week begint het, Casper. We moeten focussen.’

Ik klemde mijn kaken op elkaar.

‘Wat is er?’ vroeg Temmer. ‘Ik zie dat er iets is.’

Het leek of er twee van hem naast me zaten. Ik fluisterde: ‘Ik voel me niet lekker, Kil. Het zit me niet lekker. Ik denk dat… Ik moet… hier… weg…’ Ik schoof mijn stoel naar achter om naar de plee te kunnen rennen, maar verloor al bij het opstaan mijn evenwicht. In mijn val trok ik het blauwe tafelkleed van tafel. Het servies, de kunstbloemen, de glazen, alles kletterde op de grond en ik spuugde met een schreeuw mijn maag leeg over Temmers leren schoenen.

Ik werd wakker op mijn kamer in het teamhotel. Hoe ik daar gekomen ben weet ik niet, maar wel dat ik lang geslapen heb, want het was ochtend. Rond zeven uur kwam Willems van de technische staf mijn kamer binnen.

‘Morgen, Sanders,’ zei hij. Hij schoof de donkerblauwe gordijnen opzij.

‘Morgen,’ kreunde ik.

Willems gaf me een glas water. ‘Hoe voel je je nu?’

‘Alsof ik mijn fluit heb ingeslikt.’

‘Temmer zei het. Hij wil je een paar dagen hier houden, ter observatie.’

‘Wat?’ Ik dronk mijn glas leeg en ging op de rand van mijn bed zitten.

‘Een paar dagen, meer niet. Vast niets ernstigs. Honger?’

‘Ja.’

‘Kom, ontbijten.’

Een aardige gozer, met zijn hondenogen. Hij lette die dag nauwkeurig op me en verloor me nauwelijks uit het oog, deed zelfs wat oefeningen mee in het trainingscentrum. Na de lunch voelde ik me stukken beter. Op weg terug naar het teamhotel stelde ik voor om maar weer eens naar huis te gaan, maar Willems moest daar niets van weten. 

‘We houden je nog even hier,’ zei hij. ‘Als je iets nodig hebt, dan regel ik het voor je.’

‘Mijn telefoon.’

‘Geen telefoons op de campus, dat weet je.’

Op mijn kamer stond een oranje doos op me te wachten. Er zat een briefje bij van Temmer. ‘Dag Casper, hopelijk voel je je iets beter. Hiermee kun je je een beetje vermaken. Je zult begrijpen dat we je uit voorzorg van de oefenwedstrijd van zaterdag hebben afgehaald. Je gezondheid gaat voor, ook met het oog op volgende week. Ik had het idee dat iets je dwarszit. Zaterdag ben ik weer op de campus, dan kunnen we praten. Zet eens wat op papier, orden je gedachten. Hartelijk, Kil.’ 

Mijn gedachten ordenen? dacht ik. Alsof ik het ben die in de war is. En me van de wedstrijd afgehaald? Heb ik verdomme voor niks dat klotescript uit m’n hoofd geleerd. Ik snap dat ze geen risico willen nemen, maar ik voel me fit. Mij mankeert niets. 

Ik heb mijn emoties natuurlijk voor me gehouden. In de doos zat een spelcomputer. Willems vertrok en ik heb een tijd zitten vloeken en schelden. Dat ding toch maar aangesloten en een oorlogsspel gespeeld. Iedereen overhoop schieten, dat luchtte op. Voor ik er erg in had stond Willems weer klaar om me naar het diner te brengen. Na het eten heb ik hem uitgenodigd op mijn kamer voetbal te kijken. Op de vijf Superdivisie-kanalen werden tot vorige week allerlei oude wedstrijden vertoond, tussen de praatprogramma’s door. Er zaten mooie potjes tussen, maar ook schoppartijen en hekkensluiters. Het leek hartstikke willekeurig. lk sprong op bed en Willems nam plaats op mijn bureaustoel.

‘Kun je niet toch mijn telefoon regelen?’ vroeg ik hem tijdens de reclames. Ik zapte heen en weer, maar op alle voetbalkanalen was dezelfde lange reclame te zien voor Harmony. Vanaf het scherm keek ze nogal zinnelijk mijn kamer in. 

‘Nee, dat zal niet gaan.’

‘Kom aan, zeg. Ik ben ziek geweest. Kan Temmer geen uitzondering maken?’

‘Regels zijn regels, Sanders,’ zei Willems. ‘Dat moet jij weten.’ 

‘Je hebt thuis zeker niks te vertellen dat je hier zo autoritair loopt te doen.’

Daar kon hij wel om lachen. Hij wees naar mijn notitieblok. ‘Mag ik?’

‘Natuurlijk. Ga je een liefdesbrief schrijven voor Harmony?’

Hij scheurde een velletje af, vouwde het dubbel en legde het over de bovenkant van het beeldscherm. ‘Je weet nooit wie er meekijkt,’ zei hij, ernstig nu.

Mijn hart stopte zowat. ‘Dat is illegaal, man. Meneertje regels-zijn-regels.’

Willems lachte. Even wist ik niet of hij een geintje uithaalde, of echt zo’n type is dat de JC-sensor afplakt. ‘Die telefoon gaat Temmer je niet teruggeven, Sanders. Hij is gestrest. En dat ding kun je gerust afplakken, dat doe ik thuis ook. Als je slim bent laat je ’t zo. Bovendien: wij kijken als scheidsrechters. Wie heeft daar wat aan? JC vast niet.’

Dat klopte wel, want ik zat constant heen en weer te schakelen en bleef alleen hangen bij momenten die voor de scheids interessant zijn. ‘Zit toch niet zo te zappen, man,’ zei Willems knorrig, waarop ik de afstandsbediening in zijn schoot wierp. Zelf begon hij na een tijdje ook te zappen. ‘Er is eigenlijk weinig aan,’ zei hij. ‘We hadden beter een film kunnen kijken.’ Toch hebben we heel de avond voetbal gekeken.

 

Hoofdstuk 4
‘Je hebt het goed gedaan,’ zijn mijn pa altijd als we weer in de auto zaten. ‘Je was baas.’ Tot ik mijn rijbewijs had reed hij me naar alle wedstrijden en weer terug. In alle windstreken heb ik gefloten en altijd was hij erbij. Moesten we ver, dan aten we halverwege een broodje. In Brabant een worstenbroodje, in Spakenburg een broodje vis en in Friesland kocht hij soms een suikerbrood voor bij het ontbijt de volgende dag. De avond voor de wedstrijd deed pa het rustig aan, en op zaterdag dronk hij pas als we weer thuis waren.

Ik heb collega’s vaak genoeg een boom horen opzetten over de vraag waarom ze ooit als scheidsrechter begonnen zijn. Mij is het ook gevraagd. Je kunt daarover moeilijk en ingewikkeld doen, praten over maatschappelijke betrokkenheid, iets willen betekenen voor de samenleving, het geweldig vinden om andere mensen een leuke voetbalmiddag te bezorgen. Het komt er vooral op neer dat je er plezier in hebt, en dat is er bij mij met de paplepel ingegoten.

Mijn pa is meer dan vijfentwintig jaar scheidsrechter geweest. Op zijn kamer hing een foto van hem, gemaakt tijdens een kampioenswedstrijd in de tweede klasse, het hoogtepunt van zijn carrière. Een bos zwart haar en een zwarte baard boven een knalgeel tenue. In zijn tijd had je geen talententrajecten, en al droomde hij ervan om hogerop te komen, hij floot nooit hoger dan de tweede klasse. ‘Dat was allemaal vriendjespolitiek in die tijd,’ was zijn verklaring. Op het laatst floot hij alleen nog maar bierteams en veteranen. ‘Veel gezelliger.’

Hij floot met een metalen fluit met een erwt erin, dat aan een koord om zijn nek hing. Dat vond hij heel wat vrolijker klinken dan zo’n snerpende Fox40. ‘Die spelers kwamen net uit bed en hadden een kater,’ zei hij. ‘Zo’n harde fluit was niet goed voor de sfeer.’ Sfeer, daar ging het volgens hem om. Sfeer en plezier. Al moest ik zelf vooral doen wat mijn begeleiders tegen me zeiden. Kaarten gaf hij zelden. Zijn fluitje hing bij ons thuis op de gang, aan een touwtje rond de barometer die hij van zijn pa had geërfd.

Oudere supporters van clubs uit nabijgelegen dorpen herkenden hem vaak nog wel, al was hij een stuk grijzer geworden. Soms scholden ze hem uit als ik in hun ogen een fout maakte. ‘Hé, Sanders! Je zoon is net zo’n hondenlul als jij was, maar dan een rooie!’ Bij sommige clubs nodigden ze hem in de rust uit in de bestuurskamer voor een kop koffie. Na afloop bleef hij daar weg, dan was de bestuurskamer voor de scheids, zei hij, niet voor de vader van de scheids. Na de formulieren te hebben ingevuld keerde ik terug naar de auto. Ik bleef nooit hangen, anders dan de meeste scheidsrechters. Op de parkeerplaats wachtte mijn pa op me, met het sportkatern en zachtjes de radio aan.

‘Hé! Bospeen! Kijk uit, man!’ riep een middenvelder van een vierdeklasser omdat ik volgens hem in de weg liep. Het was op een zanderig knollenveld, de lijnen waren amper zichtbaar. Ik was een jaar of zeventien, had nog lang haar en wist zulke kreten nog niet te pareren. Later vond hij dat ik een hoekschop had moeten geven, en van een meter of twintig blies hij me het advies toe om minder te blowen voor de wedstrijd. Bijna lachte ik, maar ik bedacht me dat dat niet de gewenste reactie was. Na even frummelen in mijn borstzakje had ik hem te pakken. Bam. Mijn eerste gele kaart. Meteen stond die man voor mijn neus te fulmineren. Hoe haalde ik het in in mijn rooie kop om hem geel te geven? Wie dacht ik wel niet dat ik was? Hoerenjong! Ik had de gele nog in mijn hand en heb ‘m direct nog eens omhoog gehouden, en de rode erachteraan. Opdonderen, dacht ik. ‘Je was baas,’ zei mijn pa na afloop.

Ik heb het altijd als een voorrecht beschouwd dat mijn pa zelf ook scheidsrechter is geweest. Waar leeftijdgenoten in hun uppie naar allerlei gehuchten reden of met de regiobus bij Sportpark de Scheetkuil moesten zien te komen, had ik mijn eigen chauffeur, fan, en coach. Ook nadat hij ziek werd ging hij nog elke week mee. In de hoofdklasse carpoolen de meeste arbiters met hun assistenten, maar ik reed samen met mijn pa. ‘Op een dag fluit jij de Klassieker,’ was zijn credo. ‘Ik hoop het nog mee te maken.’ Altijd stond hij langs de lijn of zat hij op de tribune, als het even kon uit de buurt van anderen. Net voor de aftrap hadden we oogcontact en stak ik discreet mijn duim naar hem op, en hij naar mij. Dan wist ik dat het goed kwam. 

Met hem is het niet goedgekomen. Het begon met een trekkende pijn in zijn bovenarm en schouder. Eerst dacht hij dat het door het computeren kwam, maar de pijn hield aan nadat hij zijn scherm had weggedaan. Cardiomyopathie, zei de dokter. Verslapte hartspier, lekkende kleppen, uitgerekte kamers. Hij kon nachten wakker liggen met pijn op de borst. Aanvankelijk hielpen de medicijnen, maar hij bleef erbij roken en drinken en mopperen op de tv op zondagmiddag. Eerlijk gezegd vond ik het wel fijn dat er geen voetbal meer te zien was. Het ging beter, al had hij ook verdriet. ‘Mijn zoon, zal ik je nou ooit nog de Klassieker zien fluiten?’

 

Hoofdstuk 5
Vorige week vrijdag had ik een afspraak met Menkel in het sportmedisch centrum. Hij heeft bloed geprikt, monsters genomen en me doorgezaagd over van alles en nog wat. Zelfs mijn dromen wilde hij weten. Hij keek me voortdurend strak aan met die walnootvormige ogen van hem.

Menkels uiterlijk laat zich het best vergelijken met een knotwilg. Knoestige wallen, een kop vol groeven en een ziekelijke bruin-groene teint waar zijn gouden montuur scherp bij afsteekt. Uit zijn kruin schieten zwarte sprieten omhoog, als in een uitgebrand bos. Een triest gezicht. Soms zoog hij ineens wat lucht naar binnen langs zijn gebarsten lippen, alsof hij iets zeggen wilde. Dat was empathisch bedoeld, een teken om verder te praten. Een paar keer knipte hij hard met zijn vingers.

Dat ik altijd veel praat op het veld wil niet zeggen dat ik vind dat een goede scheidsrechter veel moet praten. Kakelen kan iedereen, maar eieren leggen? Daar gaat het om. Toch was Menkel in staat me over van alles en nog wat te laten ouwehoeren. Op de meeste vragen scheen hij het antwoord trouwens al te weten. Na afloop was ik helemaal murw. Hij gaf me vitaminepillen voor mijn herstel. ’s Avonds op mijn kamer nog een tijdje FIFA liggen spelen en ben vroeg gaan slapen.

Om zes uur op zaterdagochtend bromde een onbekende dat ik op moest staan. Met buitensporige inzet bonkte hij erbij op mijn deur. Mortier is in alles het tegendeel van Willems. Een bonk graniet, en een kop als een aanlegpaal. Hij lijkt uit het clubhuis van een motorbende weggeplukt. ‘Training, ontbijt, rust,’ declameerde hij na het openen van de gordijnen, die hij zowat van de rail trok. ‘Dan lunch, Temmer, rust. Nu aankleden.’ Zijn trainingspak knelde, misschien was hij daarom zo brommerig. 

Ik was zowaar blij om Hartman weer te zien. ‘Een rustig bosloopje,’ zei hij, terwijl hij met zijn horloge in weer was. ‘Zeven kilometer. Je bent nog herstellende, hoorde ik.’ Hij checkte mijn hartslagmeter, vroeg hoe ik had geslapen en dat was het wel qua gesprek. In het bos hing dauw waardoor je op veel plekken de hekken niet kon zien. We renden over de buitenste ring van de campus. De lucht was rijk en fris, alsof ik puur geluk inademende. Hartman kon me amper bijhouden. Na een coolingdown en wat rekoefeningen leverde hij me weer af bij Mortier, die me via het ontbijt terug naar mijn kamer bracht. 

Hartman kwam nog een praatje maken, met die typische rust en vriendelijkheid van sportinstructeurs na de training, alsof ze dan willen compenseren dat ze eerder naar je geschreeuwd hebben. ‘Niks mis met je conditie, Sanders,’ zei hij. ‘Volgens mij ben je fit. Hartslag ziet er goed uit. Wat mij betreft kun je zo weer meedraaien. Temmer is wel erg voorzichtig met je.’ Hij liet me een grafiek zien op zijn schermpje. Ik lag net op bed de VN te lezen en moest flink mijn nek draaien om het te zien. ‘Ah, ja, mooie parabool,’ zei ik. Met één voet op mijn stoel stak hij een verhaal af over mijn collega’s, en dat het bij sommige leek of ze rechtstreeks uit een all-you-can-eat kwamen gerold. ‘Jij niet, Sanders. Jij bent topfit. De metingen laten het zien. Wat lees je?’ Ik liet hem de cover van de Voetbal National zien. Hij lachte. ‘Staat die ouwe ook eens op een tijdschrift, in plaats van zijn vrouw.’ 

Op de cover van de VN toont Temmer met een brede grijns de gouden kampioensschaal. Ze hebben hem vanaf een laag standpunt gefotografeerd, zodat hij groter lijkt. Hij staart in de verte, als een echte leider. Superdivisie van start, staat eronder. De revival van het Nederlands voetbal? ‘Hij is erg voorzichtig met je,’ herhaalde Hartman. ‘Lees lekker verder, jochie. Tot maandag.’

Hartman was al weg voor ik besefte wat hij gezegd had. Maandag? Gelukkig stond ik op het punt om met Temmer te gaan praten. Mortier kwam me halen. Deze keer zei hij niets. Hij wees slechts met zijn kin in de richting van de trap. ‘Naar Temmer, toch?’ vroeg ik nog, waarop hij kort gromde. Op het kronkelpad werd zijn topzware lijf bijna ten val gebracht door een losse tegel. Iets over karma slikte ik in. Met Mortier valt niet te lachen.

‘Ha, Casper,’ groette Temmer me opgewekt in zijn kantoor. Kil Temmer is de enige die me Casper noemt, al sinds hij me voor het eerst begeleidde in de hoofdklasse. Hij droeg een grijs pak met oranje das. Aan zijn korte benen prijkten zwarte schoenen die er nieuw uitzagen. Mortier leek te willen salueren maar hield zich in, maakte een buiging en vertrok schuifelend achterwaarts richting de trap. 

Temmer wees me een stoel en ging zelf voorop zijn bureau zitten, waardoor ik zijn geblokte sokken kon zien. Op de stoel links van me stond de gloednieuwe schaal te fonkelen. Aan mijn andere kant het bijzettafeltje met het portret van Temmers vrouw. Ik keek vooral naar de schaal.

‘Wat is ze mooi hè,’ zei Temmer.

‘Ik zag jullie al samen op de VN. Sta jij ook een keer op de cover.’ 

Hij lachte. Op de rand van de schaal staat zoals altijd ‘Kampioen van Nederland’, maar onderaan staat nuNike Superdivisie’. De schaal is voor het eerst van goud. In het midden prijkt de gebruikelijke leeuwenkop met uitgestoken tong, het logo van de sponsor. In het glanzende oppervlak zag ik mijn gezicht weerspiegelen. Even scheen het alsof ik zelf kampioen was en de leeuw uit de binnenste ring verstoten had. Tijd om me te scheren, dacht ik.

‘Je hebt me woensdagavond laten schrikken, Casper,’ zei Temmer ernstig. Hij keek me aan met een vermoeide maar tedere blik. Er zat stof op zijn bril. ‘Slaap je goed? Je revalidatie is voor ons een topprioriteit.’

‘Ik voel me kiplekker, Kil,’ zei ik. ‘Kiplekker.’

‘Mooi, mooi,’ zei hij. ‘Heb je nog wat geschreven? Je koppie geordend?’

‘Eigenlijk heb ik vooral FIFA gespeeld. Nog bedankt voor die spelcomputer.’

FIFA?’

‘Een voetbalspel. Daarmee zijn ze gewoon doorgegaan na het eind van de FIFA.’

‘Kijk aan, een spel,’ zei hij. ‘Jij mag ook ontspannen. Koffie?’ 

Hij stond op, tikte op zijn schermpje en ging met zijn rug naar me toe bij het raam staan. Het hoofdkantoor is totaal van glas. Temmers kantoor kijkt uit op het hoofdveld. Kunstgras, met aan de lange zijden tribunes, en hoge bomen rondom. Op het veld waren vier spelers met trainers een situatie aan het doornemen. Hologrammen bewogen als levensechte voorbeelden over het veld. De linksachter moest met zijn linker een lange bal naar voren geven, richting de rechtsbuiten. De andere twee speelden doelman en verdediger van de tegenpartij. Het lukte ze al aardig om het schimmenspel na te doen, uiteraard dankzij de DBVS-technologie.

‘Je bent een goeie jongen, Casper,’ zei Temmer. Hij staarde nog altijd naar buiten en bepotelde peinzend zijn zegelring. ‘Je bent jong, intelligent, getalenteerd. Je bent een van onze toptalenten. Je kan een hele grote worden. Dat zag ik meteen al.’ Over de blauwe vloerbedekking kwam een karretje met twee dienblaadjes aangereden. Op elk lag een servet met het logo van de bond uitgespreid, met daarop koffie, een glas water en twee chocolaatjes. Ik zette de dienblaadjes op Temmers bureau. 

‘Je hebt een mooie toekomst voor je, Casper,’ ging Temmer verder. Het karretje reed geruisloos weg. ‘Doe daar iets mee. Zorg ervoor dat hij niet achter je komt te liggen. Gewoon doen. Kijk aan zeg.’ Dat laatste verwarde me, maar Temmer doelde op buiten. De geesten waren verdwenen en de spelers leken het nu zelf te doen. De linksvoor controleerde de lange bal hoog in de lucht met gestrekt been. Hij liet de bal stuiteren, kapte de verdediger uit en schoot met buitenkant rechts in de kruising. De doelman bleef met een handschoen in de lucht op z’n knieën zitten, als een kleuter die naar de wc moet.

‘Totale vernedering,’ fluisterde Temmer. ‘Fenomenaal doelpunt. Weet je het nog? Bergkamp, 1998. Deze gebruiken we volgende week bij Feyenoord-Ajax.’ Hij keek me aan over zijn schouder. ‘Daar wil ik het met je over hebben.’

‘Ik heb nagedacht,’ zei ik. 

‘Ah, vertel.’ Hij ging achter zijn bureau zitten en nam een slok koffie.

‘Volgens mij gaat wat we doen in tegen de geest van de sport.’

‘Ach, Casper. De geest van de sport. Topsport draait niet om sport. Wij maken kunst. Mensen willen mooi voetbal zien en wij leveren dat. Punt.’

‘Als mensen een toneelstuk willen zien dan gaan ze toch naar het theater?’

‘Ha! Theater? Wie gaat er nog naar het theater?’

‘Jij.’

‘Dat klopt, maar dat komt door mijn vrouw.’ Hij knikte naar haar portret. ‘In het theater krijg je geen voetbal te zien. Laatst ben ik weer eens naar Hamlet geweest. Ik kan daar heus van genieten, hoor.’ Hij zette zijn kopje neer, plantte zijn ellebogen op tafel en vouwde zijn vingers in elkaar. 

‘Maar?’ Er hing een maar in de lucht.

‘Maar ik weet vooraf al wat de uitslag gaat zijn. Bij voetbal heb je dat niet. De mensen thuis niet, althans.’

‘Precies. Dat bedoel ik. De bal is rond. Is dat niet het mooie?’

Temmer sloot zijn ogen. Het leek erop dat hij in gebed wilde voorgaan. ‘De bal is rond. La pelota esta redonda,’ prevelde hij. ‘Een mooi gezegde dat wij graag in ere houden. We hebben niet voor niets ons datasysteem naar Johan Cruijff vernoemd.’

‘En al die mensen thuis die geloven dat het echt is?’

Hij begon met zijn zakdoek zijn bril te poetsen. ‘Die mensen thuis krijgen mooi voetbal te zien,’ zei hij. ‘Bovendien: er stromen miljoenen binnen. Dat is wat de mensen willen. Dat is wat de aandeelhouders willen.’ Hij zette zijn bril op en wierp een chocolaatje in z’n mond. 

‘Je houdt mensen voor de gek. Dat is wreed.’

‘Wij zijn slechts wreed uit liefde, Casper. Supporters verwachten helden, drama, tragiek. Wij leveren de mooiste catharsis die voetbaltechnisch mogelijk is. Je hebt zelf ook Aristoteles gelezen, toch?’ Plots bulderde hij van het lachen, alsof hij net een geweldig goede mop had gehoord. ‘Een scheidsrechter die Aristoteles heeft gelezen! Dat maakt jou zo bijzonder.’

‘Aristoteles beschreef ook de hybris, als ik me niet vergis.’

Plotseling sloeg Temmer zo hard op tafel dat de koffie uit onze kopjes klotste. De oranje leeuw op mijn servet kleurde langzaam bruin. ‘Klopt het dat jij de JC hebt afgeplakt, Casper?’

‘Huh? Wat?’ zei ik van schrik.

‘Gebruik je hersens, Sanders. Jij gaat dit niet voor ons verkloten. Je doet gewoon mee en houdt je mond. Je hebt geen keus. Je hebt getekend. Het is alles of niets.’ Hij keek boos en wees naar me, waardoor ik de streep op zijn ring goed kon zien. Hij ontspande, wreef de kreukels uit zijn das en keek op de klok. ‘Ik ga een weekje weg, Casper. Met die schoonheid langs de stadions.’ Hij bedoelde de schaal, niet zijn vrouw. ‘Ik maak me zorgen om je. Denk er nog eens over na. Je pakt een mooi salaris en de mensen zien jou als de beste scheidsrechter van Nederland. Wat wil je nog meer? Geen last meer van je maag?’

‘Zoals ik al zei voel ik me kiplekker. Ik ga maar eens naar huis toe.’

‘We houden je nog een weekje hier, ter observatie. Dokter Menkel vertrouwt het niet, met je gezondheid. Mij lijkt het ook beter. Daarover wilde ik je nog spreken. Volgende week, de Klassieker. We durven het niet aan. Jool gaat voor je invallen.’

‘Kom nou,’ protesteerde ik. ‘Eerst die oefenwedstrijd en nu dit? Ik heb dat hele klotescript al uit m’n hoofd geleerd!’

‘Ons besluit staat vast.’

‘Ik ben fit, Kil. Hartman zei het net nog. Ik kan meedraaien. En al met al kan het me weinig schelen of de pelota redonda is.’

‘We hebben het persbericht al verstuurd. Je hebt een voedselvergiftiging opgelopen en blijft minimaal een week in Zeist om daarvan bij te komen. Dat is het officiële verhaal. Punt.’

‘Een voedselvergiftiging?’

‘Ja, een voedselvergiftiging. Of ben je vergeten dat je woensdag over mijn schoenen kotste? Je blijft een week hier en dat is het. We spreken elkaar. Mortier?!’ 

Hè godverdomme, wou ik zeggen, maar ik zweeg. Mortier verscheen in de deuropening. ‘Goed om je te spreken, Casper,’ zei Temmer. Een en al hartelijkheid nu. ‘Altijd fijn om even te sparren. Een van de belangrijkste eigenschappen van een arbiter vandaag de dag is dat hij communicatief moet zijn. Dat ben jij. Je bent een goeie jongen. Hou je haaks.’

 

Hoofdstuk 6
‘Bij de KNNVB zijn we niet bang voor vernieuwing, maar nieuwe dingen invoeren kan alleen stapje voor stapje.’ Ik herinner me nog goed het trainingskamp in Belek een jaar of vijf geleden. Temmer vertelde mij en een selecte groep collega’s daar aan de Turkse Rivièra voor het eerst over de nieuwe Superdivisie. Die ochtend zaten we om negen uur in een koel zaaltje op de eerste etage, aan de noordkant van het Carlista-hotel. Tussen de tl-balken aan het plafond hing een projector te zoemen. Op de witte tafels stonden koffiekannen en karaffen water. De meeste van ons hadden pen en papier in de aanslag. Alleen Jool zat er wat ongeïnteresseerd bij, achterover leunend met een flesje AA.

‘Heren scheidsrechters,’ begon Temmer. ‘Welkom bij deze sessie.’ Hij droeg een kraakvers overhemd, zijn grijze jasje hing over de leuning van zijn stoel. Op de eerste slide van zijn presentatie stond een foto van vrolijke supporters, met eronder: ‘Masterplan 2039: de toekomst van het betaald voetbal’. Linksboven prijkte het logo van de voetbalbond.

‘Jullie zitten hier,’ sprak Temmer ons toe, waarbij hij met tien gespreide vingers naar de vloer wees, ‘omdat jullie de grootste talenten zijn binnen de arbitrage van het Nederlands voetbal. Dat blijkt niet alleen uit jullie rapporten, maar ook uit de tests die we de afgelopen maanden hebben afgenomen.’ Hij glimlachte en keek ons een voor een aan. ‘We staan aan de vooravond van een revolutie binnen het betaald voetbal, waarin jullie een sleutelrol gaan spelen. Wat ik ga vertellen kan als schokkend ervaren worden, simpelweg omdat revoluties altijd schokkend zijn. Het oude maakt plaats voor het nieuwe, en dat nieuwe, beste heren, dat zijn jullie.’

Hij liep naar de stoel waar zijn jasje overheen hing en haalde uit zijn lederen aktetas een grote, witte envelop tevoorschijn. ‘Wat ik jullie ga vertellen is geheim, en dient dat voorlopig te blijven. Jullie zijn geselecteerd op basis van intelligentie, discretie en loyaliteit. Ik heb alle vertrouwen in jullie. Mocht er desondanks iemand zijn die zich al bij voorbaat wil onttrekken aan de toekomst’ – zo zei hij dat, onttrekken aan de toekomst – ‘dan is dit het moment om deze tamelijk frisse ruimte te verlaten.’

Niemand zei iets, niemand bewoog. Je hoorde alleen de beamer zoemen en de airco suizen.

‘Mooi,’ zei Temmer. ‘Voordat ik jullie deelgenoot maak van onze plannen wil ik jullie vragen een verklaring te ondertekenen. Er spelen grote belangen en alles wat ik jullie ga vertellen is strikt vertrouwelijk.’ Hij opende de envelop, haalde er een stapeltje uit en overhandigde iedereen een enkelzijdig bedrukt vel papier. De verklaring hield in een notendop in dat lekken van het verhaal een boete van 1,8 miljoen plus ontslag zou betekenen. 

De meesten tekenden, ik ook. Ik voelde me uitverkoren. Alleen Jool tekende niet. ‘Hoe kan ik nou tekenen om iets geheim te houden als ik nog niet weet wat het geheim is?’ vroeg hij.

‘Een terechte vraag, Don,’ zei Temmer. ‘Toch wil ik je vragen eerst de overeenkomst te ondertekenen. Pas dan kan ik je vertellen waar het me in deze sessie om te doen is.’

‘Vooruit dan maar,’ zei Jool. Temmer verzamelde de papieren, stopte ze terug in de envelop en tikte iets in op zijn schermpje. ‘Zoals jullie weten,’ ging hij verder, ‘is er de afgelopen tien, vijftien jaar steeds meer kritiek op de kwaliteit van het betaald voetbal. De KNNVB heeft er alles aan gedaan om het niveau te doen stijgen, maar zonder resultaat. Dieptepunt in dit verhaal is de weigering van televisiezenders om nog langer Nederlands voetbal uit te zenden, met inkomstenderving tot gevolg. Daarop hebben we nu iets bedacht, en daar gaat deze sessie over.’ 

De volgende slide liet een grasveld zien waar het logo van de sponsor in was gemaaid. ‘Samen met onze partner hebben we in het diepste geheim een systeem ontwikkeld om het Nederlands voetbal op niveau terug te brengen. Het plan treedt in werking in 2039, en gaat de Superdivisie heten. Jullie zullen op dit hoogste niveau van het Nederlands voetbal worden aangesteld als scheidsrechters. Van harte gefeliciteerd.’

Hij lastte een korte pauze in, en vroeg toen: ‘Herinneren jullie je IJzeren Rinus nog?’ Niemand zei iets. ‘Jullie zijn wellicht te jong, maar jullie vaders zullen zich IJzeren Rinus wel herinneren. Voor de buitenwereld was IJzeren Rinus een softwareprogramma dat tekeningen genereerde waarmee de beslissingen van jullie voorgangers konden worden gecheckt. De NOS gebruikte IJzeren Rinus tot 2004 bij uitzendingen van Studio Sport.’ Op het scherm zagen we een pixelige computertekening van een spelsituatie ‘De toenmalige KNVB leverde deze beelden aan. Door toenemende verontwaardiging over scheidsrechterlijke beslissingen zijn we daarmee opgehouden, maar met IJzeren Rinus zijn we doorgegaan. IR was namelijk meer dan dat.’

Hij schonk zichzelf een glas water in. Rinkelend vielen de ijsblokjes in zijn glas. De volgende slide toonde een paar voetbalschoenen, een bal en een doel, met kabels en chips. Eronder stond ‘DBVS’. Het was nogal een knullige collage, eerlijk gezegd. Temmer ging verder: ‘IJzeren Rinus is in de eerste plaats een besturingssysteem waarmee we de effectiviteit van het voetbal kunnen vergroten. Hoe effectiever ons product tot stand komt, des te tevredener de consument. Met IR zijn we in staat spelsituaties voor te programmeren, die we met behulp van DBVS-technologie tot uitvoering kunnen laten brengen.’

Dirks kuchte overdreven en stak zijn hand op.

‘Ja, Frank? Last van de airco?’

‘Nee, een vraag. Waar staat DBVS voor?’

‘DBVS staat voor doel-, bal-, veld- en schoentechnologie. Doeltechnologie kennen jullie. Sinds 2012 krijgen scheidsrechters een melding op hun horloge van het zogenoemde Hawkeye-systeem als de bal over de lijn is. Schoen- en baltechnologie worden ook al jaren gebruikt, om statistieken mee te genereren, zoals het aantal gelopen kilometers per speler of de snelheid waarmee een bal op doel wordt geschoten. Met de combinatie van die technologieën zijn we tot grootse dingen in staat. Kijk hier maar eens naar.’

Het duurde even voor Temmer de video in zijn presentatie aan de praat kreeg en daarna haperde het geluid. Dirks stond op en hielp hem. Ik herinner me dat hij een wel erg korte broek aan had die dag. De rest kon de beelden alvast in stilte bekijken. Een vijftal onbekende spelers demonstreerde verbluffend combinatievoetbal. Tiki-taka-voetbal van de bovenste plank. Daarna een reeks subtiel gekrulde vrije trappen, en lange-afstand-passes op de stropdas. Zelfs geblinddoekt wisten ze elkaar te vinden. Iedereen zat vol bewondering te kijken.

‘Wie zijn dit?’ vroeg collega Öztürk.

‘Deze mannen zijn zeker geen getalenteerde voetballers, Ozan,’ zei Temmer, terwijl Dirks met een snoer in de weer was. ‘Sterker nog: deze mannen zijn helemaal geen voetballers. Het zijn medewerkers van ons lab te Zeist, technische afdeling. Zij hebben DBVS tot in de puntjes verfijnd.’

Een van de video’s was opgenomen op het strand. Een blonde man in een witte blouse trapte nonchalant drie ballen in evenzoveel vuilnisbakken die een meter of zestig verderop stonden. Een onmogelijke opgave, zou je zeggen, maar hij flikte het. Iedereen was onder de indruk. De laatste video was er een waarin iemand op de rand van de zestien de bal hooghoudt en hem na elke vijf of zes balcontacten richting het doel volleyt. We hebben die beelden later nog vaker te zien gekregen. De bal knalt telkens perfect tegen de lat en vliegt weer terug naar de speler, die hem controleert en doorgaat met hooghouden.

‘Omdat het Nederlandse voetbal in de eerste twee decennia van deze eeuw nog sterk was ingebed in de internationale context,’ vervolgde Temmer, ‘was er nauwelijks ruimte om het systeem in de praktijk te testen. We hebben de experimenten beperkt tot vriendschappelijke wedstrijden, maar met succes. Het systeem levert zelfs met 22 middelmatige voetballers in potentie weergaloze wedstrijden op. IR en DBVS zullen aan de basis staan van een nieuwe competitie van tien clubs, de Superdivisie, die in het jaar 2039 van start gaat. Jullie zevenen, vanaf nu de ‘Masterclass Superdivisie’ genoemd, zullen hierin zoals gezegd een hoofdrol vervullen. De selectie was zeer zorgvuldig, streng en zeker grondig. Zo hoort het ook te zijn. Wij maken geen fouten. Misschien is er onderweg weleens een potentieel goede scheidsrechter afgevallen, maar dat was altijd zijn eigen schuld. Bovendien hebben we maar plek voor zeven scheidsrechters.’

‘Dat meen je niet,’ zei Jool verontwaardigd. ‘Je wil dat we poppenkastje gaan spelen?’

‘Nee,’ zei Temmer nadrukkelijk. ‘Wat wij als voetbalbond willen is de consument met ons product een zo groot mogelijk plezier bezorgen. Voetbal is een machine, en de scheidsrechter is een radertje. Zijn taak is het faciliteren van het voetbalspel. In deze nieuwe koers richten wij ons op nutsmaximalisatie. Door een revolutie van datavergaring kan de effectiviteit exponentieel gemaximaliseerd worden. De scheidsrechter zal zich naar die nieuwe doelstelling moeten schikken.’

‘En waarom zou ik daaraan meedoen? Ik, Jool?’ vroeg Jool.

‘Dat is een goede vraag, Don. Behalve de roem die gepaard gaat met fluiten op het hoogste niveau, zullen jullie voor jullie inzet royaal gecompenseerd worden door onze partner. Net als voetballers zijn scheidsrechters ook topatleten, is hun standpunt, en daar hoort een topsalaris bij. De precieze arbeidsvoorwaarden zal Mike van HR nog met jullie doornemen, maar ga uit van een jaarsalaris van rond de zes ton. Jullie krijgen een riante woning in Zeist aangeboden, vlakbij de campus. Er zijn bonussen te verdienen en ieder van jullie krijgt een voorschot.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Dat zou nu overgemaakt moeten zijn. Het is een symbolisch bedrag, een beloning voor het ondertekenen van de geheimhoudingsverklaring.’

We mochten er van Temmer over nadenken, zolang we het binnenskamers hielden. Ik herinner me dat we er tijdens de looptraining nog wat met elkaar over smiespelden. Na de lunch, op mijn hotelkamer, checkte ik mijn saldo. Mijn hart sloeg over toen ik zag wat er was bijgeschreven: 203.900. ‘Voorschot Superdivisie 2039,’ stond erbij. ‘SUPER dat we op je kunnen rekenen.’ Mijn collega’s ontvingen hetzelfde. Er is geen kritisch woord meer over gesproken.

 

Hoofdstuk 7
Je gaat het systeem pas zien als je het doorhebt. Goed kijken, ironisch genoeg leerde ik dat hier, in het hol van de leeuw. Positie kiezen, afstand houden, wait and see. Waarnemen, interpreteren, beslissen. Neem dit plafond: keurige witte vlakken, lijnen strak als op kunstgras. Orde, regelmaat, structuur. Maar til zo’n plaat op en je ziet een wirwar aan buizen, snoeren en pluizen. Muizenkeutels liggen er ook. De schaduwwereld. Daar gebeurt het, daar ontstaat alles. Bij alle teams ligt een ingenieus netwerk onder de mat, een duister technologisch geheel. Dat blijft voor de meeste mensen natuurlijk keurig verborgen. Alleen ongedierte neuzelt er rond.

Doorhebben is zien, maar zien is nog geen zeggen. Dat heb ik inmiddels begrepen. Mijn collega’s ook. Na Belek heeft niemand erover gerept. En zonder zeggen is zien zwijgen. Ik zit als enige nog hier, dat zegt genoeg. Totaal gestoord, als je het mij vraagt. Nog een paar uur tot de start van de competitie en ik begin aardig honger te krijgen. Ik kan geen mueslireep meer zien. Doe mij maar een broodje ei, of een goed bord pasta in het trainingscentrum. 

Een week geleden rond deze tijd zat ik vanuit de eetzaal beteuterd naar buiten te staren. De regen kwam met Bijbelse bakken omlaag, net als nu. Alsof het einde nabij was. Na de lunch heb ik die zondag baantjes getrokken in het trainingscentrum. Ik ben niet zo’n waterrat, maar zwemmen is goed voor het spierherstel. Mortier zat naast het bad naar een oefenwedstrijd te kijken. Het gejoel schalde over de tegels, alsof het een bekerfinale betrof. Dat wordt natuurlijk toegevoegd door de regie. Buiten bleef het gieten. Ik ben in mijn zwembroek terug naar mijn kamer gelopen. Mijn bed was verschoond. Na het douchen heb ik in mijn badjas de Superdivisie Countdown gekeken. Op drie van de vijf zenders werden de vijf oefenwedstrijden vertoond. Potjes van een half uur, achter elkaar gespeeld, als voorproefje voor vandaag. Pas aan het begin van de vijfde wedstrijd zag ik dat het papiertje van mijn JC was afgehaald.

Het waren aardige partijtjes, op hoog tempo met goed positiespel, maar het was niet het vuurwerk dat in de reclames beloofd was. Na al dat geklungel van de afgelopen weken was dat geen verrassing, al wist ik nog niet hoe het er op tv uit zou zien. De vrije trap die PSV via de onderkant van de lat binnen schoot was overtuigend. Dat wist ik, want dat had mijn wedstrijd moeten zijn. Mooie showduik van de keeper. Collega Nijenhuis viel prima voor me in, dat moet gezegd. Bij ADO-Stedoco was de solo van Amrani fraai in beeld gebracht, via zijn bodycam. Als een danser slalomde hij door de verdediging, een prachtige reis naar het einde van het strafschopgebied. Verder veel geklungel en overtredingen.

Bij Roda-Feyenoord viel een wereldgoal: Smeets stiftte de bal van een meter of twintig over doelman Yilmaz. Vanuit de ballcam was de schrik op het gezicht van de Rotterdamse goalie goed te zien. Als een planeet tolde de bal om z’n eigen as, waardoor Yilmaz keer op keer van boven in beeld zakte en onderaan weer verdween, zijn uitdrukking steeds iets wanhopiger. De vernedering was voelbaar, al vond ik zijn mimiek aanstellerig. 

Het enige verdere wapenfeit kwam van Heerenveen, in de laatste oefenpot. Vlak voor het eind krulde Postma de bal van een meter of dertig om de Utrechtse doelman heen. ‘Alsof de bal door een onzichtbare hand gestuwd werd,’ zei de commentator. Die moet zich natuurlijk van de domme houden. Enkele supporters zaten te huilen op de tribunes. ‘De revival van het Nederlands voetbal,’ noemden de analisten het.

Zonder scheids geen voetbal, zegt Temmer graag. Maar in feite heb je geen arbiter meer nodig. Niets is meer arbitrair. Assistenten zijn al vervangen door machines en de videoscheids. Alleen de man op het veld is behouden. Overtredingen zijn ook vermaak, was het argument, en iemand moet die doorgestoken kaart omhoog houden. De scheids is een gespreksonderwerp. Hoeveel wordt er wel niet gekankerd op de scheids? Hoeveel liederen niet speciaal voor hem gezongen? Ik heb het ook meegemaakt. Mijn ma was al dood, dus dan zou ze een akelig kleine niche bedienen. Als je dan denkt te weten wat voor werkt ze doet, dan zegt dat meer over jezelf. Maar goed, ieder zijn smaak. 

In het systeem is de scheids meer een regie-assistent geworden. De scheidsrechter staat er om het resultaat te sturen. Hij is om ervoor te zorgen dat de voetballers optimaal hun capaciteiten etaleren als de dragers van het voetbalspektakel. Via zijn oortje staat hij in contact met de twaalf Spelmakers en hij stuurt waar nodig bij of geeft aanwijzingen. Het voetbalveld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel, ook de scheids. Hij is echt geen dood element meer, zoals dat vroeger heette. We hebben op het trainingskamp geoefend met struikelpartijen en het tweehandig trekken van dubbele kaarten, voor na een opstootje. Judoworpen en zelfs natrappen werden geopperd als mogelijkheden voor toekomstig amusement. Dat zal nog een hoop spektakel geven.

ADO speelt vanmiddag tegen Roda JVC. Ik kan alvast verklappen dat een van die koempels een geweldige omhaal gaat maken. Afgelopen maandagochtend deden ze een doorloop op het trainingsveld naast het mijne. Van het onweer van de dag ervoor was geen spoor meer te zien. De nog laagstaande zon prikte venijnig in mijn witte vel. Hartmans had een training voor me uitgezet met lange en korte sprints. Rond de velden staan hoge, zwarte schermen, stalen frames waartussen gigantische canvas doeken gespannen zijn. Om de tien meter staat in oranje het logo van de KNNVB erop afgebeeld. Ertussenin de naam van de competitie. Bij de verste pylon kon ik precies tussen twee van die schermen door het strafschopgebied van ADO zien. Er liepen cameramensen op het veld om alvast de herhalingen op te nemen. Ik deed alsof mijn veter los was, wierp een blik en zag een geweldige omhaal van Smeets. Zo’n goal gaat de hele wereld over.

Smeets houdt zich op rond de stip, gaat alvast op zijn tenen staan voor een kopbal, maar de bal is niet strak, eerder een beetje geschept. Hij staat te ver naar voren, loopt terug, kijkt om zich heen en springt dan, hup, met twee benen de lucht in. Een imponerende choreografie. De bal komt perfect op zijn wreef, alsof hij een honkbalknuppel onder zijn knie heeft hangen, en slaat genadeloos tegen de touwen. Een aardige acrobaat, die Smeets. Hij had al een bult als een ei op zijn elleboog, maar de regisseur wilde het eindeloos overdoen.

‘Doorlopen Sanders!’ riep Hartman. ‘Om die pylonen heen!’

‘Keurige omhaal hoor,’ zei ik, terug aan Hartmans kant van het veld. ‘Je kan zien dat die Smeets van de circusschool komt.’

‘Kop houden, Sanders. Je bent hier niet om te praten maar om te trainen.’ 

Drie kwartier later oefende Stedoco tegen De Telegraafschap. Het blijft raar om die omhooggevallen amateurs op het hoogste niveau te zien voetballen, al mag een scheids daar geen mening over hebben. Hartman hing aan de telefoon, dus ik kon even spieken tijdens mijn coolingdown. De ene na de andere bal vloog de keeper van Stedoco om z’n oren. Knap hoe hij steeds net een kootje tekort kwam. Dat wordt een afstraffing in de Werf vanmiddag.

Het verhaal van Stedoco staat symbool voor de invloed van het grote geld bij de amateurs. ‘Die boeren kopen zich nog een weg naar de Champions League,’ zei mijn ome Gerrit vaak als hij weer eens in Hoornaar was wezen kijken. In die tijd bestond de Champions League nog. ‘Ik vraag me af waar dat schip gaat stranden.’ Ome Gerrit woonde in de Alblasserwaard en volgde het regiovoetbal op de voet. ‘Sterk door corruptie,’ noemde hij Stedoco altijd. Dat vond ik altijd overdreven, maar geld hadden ze.

De rood-zwarte combinatie van boerenclubs (Sterk Door Combinatie) bungelde tot 2007 stijf onderaan de vierde klasse, met uitzondering van de jaren waarin de bond met een vijfde  klasse experimenteerde. Ze verloren altijd, totdat een groep ondernemers een businessclub oprichtte en geld in de club pompte. De ene na de andere marginale prof werd aangetrokken, terwijl jongens van eigen bodem naar buurdorpen uitweken. Betaald werd er niet, zeiden ze, hooguit een paar nieuwe voetbalschoenen in het kerstpakket.

Binnen tien jaar speelde de club op het hoogste niveau bij de amateurs, maar de sponsors wilden meer. Halverwege de jaren twintig werd Stedoco een betaaldvoetbal-organisatie en verhuisde naar de nieuwe Damen Shipyards Arena, een stadion in de vorm van twee vrachtschepen omringd door zeecontainers, in de volksmond ‘de Werf’ genoemd. Mijn oom heeft daar maanden om gelachen. ‘Ik zei toch dat ik me afvroeg waar dat schip zou stranden?’ bulderde hij.

De Wet gelijk speelveld (Wgs) strooide roet in bestaande transferplannen, omdat transfers niet meer toegestaan waren. Eigen kweek eerst, was het devies. Omdat de wet de budgetten van profclubs gelijktrok, kreeg Stedoco een gelijke uitgangspositie met de ‘grote’ clubs. Hun ambitie om bij de top te horen maakte de club uit Hoornaar een logische kandidaat voor de nieuwe Superdivisie, aldus Temmer. Hoe dan ook: zondag worden ze door De Telegraafschap in de pan gehakt. Als scheidsrechter heb ik daar geen mening over.

Maandagmiddag heb ik bij Menkel en consorten in het medisch centrum doorgebracht voor een total body scan, onder narcose. Na afloop was ik uitgeput. Ik weet niet wat ze gedaan hebben, maar ik voelde het nog uren tintelen achter mijn oren. Ik kon alleen maar op bed Harmony TV kijken, zo suf was ik. Iets voor zessen kwam Willems mijn kamer binnen. ‘Etenstijd,’ zei hij zangerig. ‘Wat zit je nou weer voor onzin te kijken, man?’ Hij zette de tv uit. ‘Er is spaghetti bolognese. Honger?’ Ik stond op en viel bijna om, zo wankel was ik.

De frisse lucht en de zon op het kronkelpad haalden me uit mijn sluimertoestand. Ik knoopte een praatje met Willems aan. Hij was in een vrolijke bui.

‘Kom jij eigenlijk nog weleens van de campus af?’

‘Ach,’ zei hij. Hij vertelde het een en ander over zichzelf. Zijn vrouw heeft hem verlaten voor een ander. Zijn zoons ziet hij amper. Hij mist ze. Bijna alle dagen van de week is hij hier. ’s Avonds kijkt hij oude films, soms twee achter elkaar.

‘Mis je je vrouw?’

‘Soms.’

‘Wil je een nieuwe?’

‘Ach. Hier in de buurt azen alle vrouwen op spelers.’

‘Wie weet willen ze ook weleens een goed gesprek, over films. De films van Willems.’ 

Hij lachte zo hard dat hij ervan schrok. We zaten aan ons vaste tafeltje in de eetzaal, in een uithoek achter een scherm. Het was behoorlijk druk. Spelers, technische staf, een paar Spelmakers en wat collega’s die mijn blikken meden.

‘Heb je een Harmony?’ vroeg ik aan Willems.

‘Nee, jongen,’ zei hij ernstig, beschaamd bijna. ‘Jij zit al te lang alleen op je kamer. Wat stel je trouwens veel vragen.’

‘Een van de belangrijkste eigenschappen van een arbiter vandaag de dag is dat hij communicatief moet zijn.’ Ik probeerde Temmers stem na te doen.

‘Hoe kom je eigenlijk aan dat litteken?’

Ik voelde aan mijn voorhoofd, bedacht me op tijd dat ‘Deze?’ een overbodige vraag was en haalde mijn hand door mijn haar. ‘Een paar jaar terug floot ik in Heerenveen. Daar heb ik mijn kop gestoten. Trouwens, ik kan wel een knipbeurt gebruiken.’

‘Regel ik voor je. Maar, je kop gestoten?’

‘Ja.’

‘Wat dan?’

‘De wedstrijd begon om vijf uur. Mijn assistent, we werkten nog met assistenten, had me overgehaald om vooraf in de stad te gaan lunchen. Een vriend van ‘m had daar een visrestaurant, zogenaamd op een onderzeeër, maar dat was namaak. Het is niet mijn gewoonte om voor een wedstrijd de stad in te duiken, maar ik wilde hem niet teleurstellen.’

Willems sneed zijn spaghetti in stukjes en lepelde er wat kaas overheen. ‘En?’

‘We gingen naar binnen via een smal trappetje. Ik wilde eerst de plee induiken maar zag niet dat de deurpost nogal laag was. Pok.’ Ik sloeg met mijn knokkels op tafel. 

‘Zo,’ zei Willems met volle mond.

‘Ik moest op een kist gaan zitten om bij te komen, met m’n hoofd in m’n handen. Ik voelde wat warm over mijn gezicht stromen en hoorde het druppelen op de vloer.’

Willems gaf me de kaas.

‘Een ober bracht ijs. Volgens mijn assistent viel het mee, maar die vriend van hem stelde meteen voor om me naar het ziekenhuis te rijden.’

Willems keek me met grote ogen aan. Met zijn kaken sloeg hij de pasta tot pulp.

‘Ik kijk zo je mond in, Willems.’

‘Verkouden, sorry. Al die regen.’

‘Waar was ik?’

‘Het ziekenhuis.’

‘Ah, ja. Als ik op de middag voor de wedstrijd met een hoofdwond in het ziekenhuis wordt gezien dan heeft de hele stad het erover. Die ober zei dat er ook een arts op de boot zat te eten, een plastisch chirurg, bekend van tv. Die heeft zijn eten koud laten worden om me te hechten.’

Willems had de helft al naar binnen geschoven. Mijn spaghetti lag nog in een krul op me te wachten. Ik strooide er wat kaas overheen.

‘Die man heeft me geopereerd onder een tafellamp. Jugendstil, ook namaak. Keurig gedaan, trouwens. Je zag er niets van. Ik kon gewoon fluiten.’

Willems keek me aan alsof hij een moeilijke som zat uit te rekenen. ‘Hoe kom je dan aan dat litteken? Als het zo goed gehecht is, bedoel ik.’

‘Nou, ik had mijn sjaal in dat restaurant laten liggen. Wij die achteraf halen, en de eigenaar bood ons een maaltijd aan, ik denk omdat Heerenveen gewonnen had, ook nog door een discutabele penalty. Opnieuw liep ik het trappetje af naar de plee. Roept mijn assistent dat ik moet oppassen. Ik versta hem niet, draai me om, en…’ Weer tikte ik met mijn knokkels op tafel. 

‘Niet.’

‘Jawel. Hechtingen gesprongen, weer bloed, alsnog naar het ziekenhuis. Het gerucht ging dat ik mishandeld was door supporters. Lang verhaal kort, dit is het resultaat.’ Ik schoof mijn rode haren opzij om het te laten zien.

Willems lachte. ‘Je weet wat ze zeggen…’

‘Ia, ia,’ balkte ik.

Hij schoof een schijfje naar me toe. ‘Voor in je spelcomputer. Een oudje hoor, maar wel mooi. Met de hand getekend. Hij krijgt me telkens te pakken.’ Willems liep met me mee naar de uitgang. ‘Je vindt het wel, hè?’ vroeg hij. Even heb ik overwogen weg te lopen. Niet gedaan, helaas.

 

Hoofdstuk 8
Op 23 juli vierde ik mijn dertigste verjaardag. Althans, vieren – ik was jarig, laten we het daarop houden. Een feest is het nooit geworden. Het was een zomerdag, de heetste van het jaar. ’s Morgens door het bos gerend toen het nog koeler was. Daarna ontbeten met blauwe bessen. Berichtjes gelezen, van mijn collega’s de hartelijke felicitaties. ’s Middags zou mijn vader komen. ‘Begin van de middag,’ had hij gezegd aan de telefoon, maar ik ken hem al langer. Hij had mijn nieuwe huis in Zeist nog niet gezien. Ik had taart besteld en flesjes maltbier. Het werd later en later. Een beetje op de bank gehangen, wielrennen gekeken, in slaap gevallen.

Om twee uur schrok ik wakker van de deurbel. Zal je ‘m hebben, dacht ik. Ik trok mijn slippers aan en sjokte naar de deur, klaar om mijn vader te verwelkomen, maar er stond niemand. Kattenkwaad? Er wonen amper kinderen in de buurt. Hm, nou ja. Het zal wel. Ik liep nog een paar passen over het grindpad richting de stoep, om te zien of ik iemand weg zag sprinten of een groepje koters achter mijn SUV zag hurken, maar ik zag niemand. De doodstille straat lag te blakeren in de zon. Er heerste volstrekte geluidloosheid. Pas toen ik weer naar mijn voordeur liep zag ik een grote envelop op de mat liggen, van dik, wit papier, met in reliëf het logo van de bond.

‘Beste Casper,’ stond op de kaart. ‘Van harte gefeliciteerd met je 30ste verjaardag. In je achtertuin vind je een aardigheidje van de bond en zijn partner. Het komt vast van pas vanmiddag, als je pa er is. Hartelijks, Kil.’ 

Ik krabde aan mijn baard. Hoe wist Temmer dat mijn vader zou komen? Via de keuken slofte ik naar de achtertuin. De envelop wierp ik op het granieten blad van mijn nog ongebruikte kookeiland. Aan de rand van het gazon, op de stenen bij het zwembad, stond een grote, oranje doos met een blauwe strik, wel anderhalve meter hoog. Ik trok het lint los, de zijkanten van de doos klapten open. Voor me stond een gloednieuwe barbecue, groot genoeg om een middelgroot varken mee te garen. Aan de kap hing een briefje, met ‘open mij’. Ik trok aan het houten handvat en de zware kap schoof soepel open. Op het rooster stond een bak ijs, met een paar grote stukken vlees erin. Ribben zo groot dat ze van een paard leken te zijn, en een poot waar het bot nog in zat. Ik heb het in de koelkast gelegd en Kil een berichtje gestuurd om hem te bedanken.

Het liep tegen vieren toen de telefoon ging. Het rare was dat ik ineens aan ome Gerrit dacht, die hield ook zo van barbecuen. Het bleek Temmer te zijn. Hij viel met de deur in huis. ‘Dag Casper, je cadeau gevonden? Mooi, mooi. Zeg, ik heb nog een verrassing. Ben je er klaar voor?’

‘Uh, ja, ik denk het.’

‘Mooi. De kogel is door de kerk. We hebben je definitief aangesteld als scheidsrechter bij Feyenoord-Ajax op 21 augustus. We vinden dat jij die hoort te leiden.’

Ik maakte een vuist in de lucht. Dat dit tot de mogelijkheden behoorde, wist ik, maar dat het er al zo snel van zou komen had ik niet verwacht.

‘Je bent er stil van, merk ik.’

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’

Temmer lachte. ‘Dat hoef je ook niet te weten, Casper. Het script komt later deze week naar je toe. Daar staat alles in. Vandaag ontspannen en je verjaardag vieren. Je hebt het verdiend. Je vader zal trots zijn.’

Temmer had nog geen twee minuten opgehangen toen mijn vader belde. Ik weet nog hoe trots ik was en wilde het hem meteen vertellen. ‘Hé pa,’ nam ik op, ‘moet je luisteren, ik…’

‘Meneer Sanders?’ werd ik onderbroken door een vrouwenstem.

‘Uhm, ja?’

‘U spreekt met dokter Franssen van het UMC Utrecht. Uw vader is voor een spoedoperatie opgenomen. De hitte, zijn hart, de situatie is precair. Komt u snel.’

Ik ben op mijn blote voeten in mijn nieuwe SUV gesprongen, reed op de N227 bijna een fietser aan, en reed dik 180 op de A28.

‘Ik kom voor mijn vader,’ zei ik tegen de receptioniste, ‘Karel Sanders?’

‘Kamer 67,’ zei ze. ‘Route C.’

Voor de kamer stond een jonge arts op me te wachten.

‘Meneer Sanders?’

‘Ja. Dokter Franssen?’

‘Uw vaders toestand is stabiel. Komt u mee.’

Tussen twee lakens lag een man die op mijn pa leek, maar brozer. Zijn haar was grijzer en hij leek een beetje gekrompen. Uit zijn neus kwamen slangen en op zijn behaarde borst zaten stickers die via kabels met een machine verbonden waren. Op een scherm was zijn hartslag te zien. Hij leek te slapen, maar toen ik zijn hand vastpakte opende hij zijn ogen.

‘Hé, kanjer,’ zei hij met een zwakke stem.

‘Wat is er gebeurd?’

‘Och, jongen.’ Hij kuchte en maakte een droevige indruk. ‘De hitte, de telefoon. Ik zakte gewoon in mekaar.’

‘De telefoon?’

‘Ik voel me goed nu ik jou zie, Cassie. Gefeliciteerd, hè.’

‘Ik ben me kapot geschrokken.’

‘Ach, jongen. We moeten er allemaal een keer aan geloven.’ Hij glimlachte. ‘Maar hé, gefeliciteerd, zei ik. Ik hoorde het vanmorgen. Wat een aardige man is dat toch, die Temmer.’

‘Wat?’

‘De Klassieker, jongen! Ik kon het niet geloven. Mijn bloedeigen zoon. Ik was zo blij dat ik voor de gelegenheid een speciaalbiertje heb opengetrokken.’

‘Pa…’

‘Ik weet het, jongen. Ik wilde je bellen, maar voor ik bij mijn telefoon was… Gelukkig heb ik nog net 112 kunnen bellen.’

Ik keerde me om naar de arts en vroeg haar of ze ons een moment alleen kon laten.

‘Pa, luister. Er is iets wat ik je moet vertellen. Iets belangrijks.’

‘Wat is er, jongen?’ Hij probeerde rechtop te gaan zitten maar begon te hoesten.

‘Nou,’ begon ik. Ik wist niet hoe ik het hem moest vertellen en staarde door het raam naar de parkeerplaats beneden. Mijn SUV was een stuk groter dan de andere auto’s. Ik zag nu pas dat ik dubbel geparkeerd stond. 

‘Jongen, wat is er?’ Pa keek me vol verwachting aan. Hij was bleek. Door al die slangen en kabels zag hij er breekbaar uit. Ik had er spijt van dat ik er op dit moment over begonnen was.

‘Vertel het maar, jongen. Je kunt me alles vertellen.’

Ik keek hem aan en haalde adem. Je hoorde alleen het regelmatige piepen van de machine.

‘Val je op mannen?’ vroeg mijn vader. ‘Dat geeft niks, jongen. Daar is niks mis mee.’

‘Nee, pa. Dat is het niet.’

‘Ah, wat dan?’

‘Het gaat over de Superdivisie.’

Er kwam een reutelend geluid uit zijn borst.

‘Nou,’ zei ik, ‘het zit zo. De Superdivisie, de nieuwe competitie, de Klassieker… Het is niet wat het lijkt. Het is eigenlijk gewoon één grote poppenkast.’

Mijn vader keek me onderzoekend aan en begon te lachen. Het was een combinatie van hoesten en lachen. Hij leek oud en gek geworden. De machine naast zijn bed piepte iets sneller.

‘Ach, jongen,’ proestte hij. ‘Ach, jongen.’

‘Wat?’

‘Dat weet ik toch allang. Iedereen weet dat.’

‘Wat?’

‘Het is allemaal één grote poppenkast.’ Hij begon nog harder te hoesten, met uitgestoken tong. Je hoorde de lucht piepend uit zijn longen komen.

‘Wat bedoel je, pa?’

‘Dat is van alle tijden. Het is poppenkast. Religie, de verkiezingen, het songfestival. Met voetbal is dat niet anders, jongen. Voetbal is theater. Amusement. Dat geeft toch niet.’

Verbaasd keek ik hem een paar seconden aan. Hij was hard aan het zweten en ineens hoorde ik het snelle piepen van de machine.

‘Jezus Christus…’ hoestte hij. ‘De maanlan… Eén grote poppenk… De kunst is om gewoon mee te dr… Meedraaien, Cassie… je winst pakken… een beetje lol maken… meer niet.’ Hij schoot in een onbedaarlijke hoestbui, zijn ogen leken uit zijn hoofd te ploppen, het zweet droop langs zijn wangen. Ik rende naar de gang om hulp te vragen. Dokter Fransen en twee collega’s in witte jassen kwamen de kamer binnen gesneld. Er heerste lichte paniek.

‘Meneer Sanders,’ zei de dokter, ‘Wacht u op de gang, alstublieft.’

‘Wat is er aan de hand?’ probeerde ik nog.

‘Even buiten wachten, alstublieft.’ Een verpleger nam mij mee naar buiten. Verward heb ik een tijdje staan ijsberen. Wat bedoelde mijn vader? Hij wist het al? Van de Superdivisie? Meedraaien en je winst pakken? Ik voelde me intens alleen.

Dokter Fransen kwam ik weet niet hoeveel later met een rood hoofd naar me toe. ‘Meneer Sanders,’ zei ze. ‘We hebben alles gedaan wat in onze macht ligt… Uw vader heeft het niet gered.’

 

Hoofdstuk 9
Afgelopen dinsdagochtend hoefde ik niet te trainen. Ik wilde een wandeling maken door het bos. Het weer was goed en binnen zitten is niets voor mij. Willems had me na het ontbijt naar mijn kamer gebracht. Hij had bergen werk te verzetten, zei hij, bergen, en geen tijd om met mij te gaan wandelen. Ik moest me maar een beetje vermaken. Tegen de lunch zou hij me weer komen halen. Ik had totaal geen zin om op mijn kamer te hangen, maar goed, je bent in dienst en doet wat er van je gevraagd wordt. Ik heb mijn tanden gepoetst en een poosje FIFA gespeeld. Van buiten drongen allerlei geluiden naar binnen: voeten tegen ballen, ballen tegen netten, geschreeuw. Er werden aanstalten gemaakt om te repeteren. Ik heb de gordijnen gesloten.

Op een gegeven moment had ik het gehad. Kom aan, dacht ik. Wat let me? Ik heb toch geen huisarrest? Uit voorzichtigheid gebruikte ik niet de hoofduitgang, maar die aan de zijkant. Bij het openen ging een alarm af, maar dat stopte gelukkig weer nadat ik de deur achter me sloot. Het kronkelpad lag door nog in schaduwen gehuld en de lucht rook kruidig, alsof de tijgerbalsem vanaf de velden op de wind werd meegevoerd. De zon prikte her en der door het bladerdek heen en wierp wat licht over het struikgewas. Vogels tjilpten en ik zag twee eekhoorns langs een boomstam buitelden. Ik waande me al gauw in de vrije natuur. Het complex ligt diep verscholen in het bos, dat oneindig lijkt als je langs de randen van de campus struint. Aan beide zijden van het pad vormen de bomen een meanderende muur, onder een strakblauwe lucht. Nergens zag ik open plekken, niet eens een brandgang. De hekken zijn amper zichtbaar. Slechts op een paar plaatsen, waar de begroeiing dicht is, grenst de hoge, zwarte afrastering direct aan het pad. Het is een ijzeren gordijn van verfijnd vlechtwerk, het staal zo verstrengeld dat je er geen vinger doorheen krijgt. Bovenop zijn zeven rijen prikkeldraad gespannen. Om de vijftig meter staat op een paal een camera, al wijst niets op enige menselijke aanwezigheid, niet eens het geblaf van een hond. 

Waar ik ook liep, vanaf de velden bereikte me een kakofonie van geluiden. Vooral geschreeuw, al kon je niet horen wat er geroepen werd. Je zou denken dat iedereen zijn rol nu wel kent, maar er moest nog flink bij gecoacht en gekankerd worden. Ondanks het mooie weer werd ik hoe langer hoe melancholischer door de gedachte dat ik buitenspel sta. Een mens moet toch kunnen twijfelen? Zo erg vond ik het nou ook weer niet. Ik deed niet voor niets al zo lang mee.

Zo mijmerend kuierde ik over de campus. Na een uur kwamen de velden weer in zicht. Naast het medisch centrum glipte ik tussen twee zwarte schermen door die pottenkijkers het zicht belemmeren. Er stond best wat volk binnen de afrastering. Spelmakers, stafleden, bondslieden, twee vrouwen in overalls, en ook onbekenden, waarschijnlijk van productie of techniek. Feyenoord oefende tegen Ajax. Mijn wedstrijd. Jool liep te fluiten. Je zag dat het waarschijnlijk zijn eerste keer was. Ik zwaaide naar hem maar hij was zo gefocust dat hij verward langs me heen keek. 

Ik kan die wedstrijd inmiddels dromen. Feyenoord domineert volgens script met stevig positiespel, het tiki-taka-voetbal dat de mensen graag zien. De nummer tien krijgt tal van kansen, al worden de meeste fraai ontmanteld, met reddingen die op de trapeze niet misstaan. Aan Ajax-zijde richt men zich op de dribbel. ‘De dribbel is waarmee je het verschil kunt maken en waarmee je mensen naar het stadion lokt,’ lichtte de trainer toe in de VN. Hij had van Ajax ‘een waar pingelparadijs’ gemaakt ‘om je vingers bij af te likken’. Vanaf de flanken wordt regelmatig met een akka of panna een verdediger uitgespeeld. Het zag er geloofwaardig uit voor wie het niet doorheeft, denk ik, al waren er dubieuze momenten. Een afstandsschot van Feyenoord leek af te zwaaien, maar veranderde na een meter of vijf van koers, als een ballon die voor het dichtknopen wordt losgelaten. De rechtsbuiten van Ajax raakte een voorzet totaal verkeerd, maar met een gekke curve belandde die toch voor het doel. Ik hoop dat dat vanmiddag, over anderhalf uur, beter gaat.

Ondanks dat ik het wedstrijdverloop al kende, vond ik het toch spannend om naar te kijken. Je weet dat het nep is, maar toch ga je erin mee. Een vreemd fenomeen, alsof voetbal en de waarheid twee aparte hersenhelften benutten die niet met elkaar communiceren. Terwijl ik me hierover verwonderde kwamen er vanachter het Ajax-doel twee vrouwelijke streakers het veld op gerend. Over hun borsten en op hun rug hadden ze met zwarte verf ‘Fuck the system!’ geschreven. Dit was totaal nieuw voor me. Een aangename verrassing. Waren Temmer of de Spelmakers bang dat de wedstrijd anders te saai zou zijn? Of was dit Jools persoonlijke inbreng?

Na een klein kwartier hoorde ik de sluisdeuren van het medisch centrum openschuiven en een bataljon dure voetstappen mijn kant op komen. Noppen klinken anders, die trippelen meer. Dit waren leren zolen met houten hakken die tegen de straat klakten als pony’s. Een stuk of zes keurige heren in pak, geen van allen bijzonder groot van stuk, kwamen tussen de schermen door het veld op. De meesten droegen zonnebrillen boven hun brede jukbeenderen, geen overbodige luxe. Twee die de zon ongefilterd op hun netvlies opvingen leken dat te betreuren, want ze knepen met hun ogen alsof ze met tegenwind op de fiets zaten. Ze spraken op gedempte toon in een onverstaanbare taal. Voor ik me goed en wel had afgevraagd wat die mannen hier te zoeken hadden, kwam Temmer op een drafje tussen de schermen door. Hij leek geschrokken me te zien.

‘Casper? Jij hier?’

‘Even de benen gestrekt. Heb je je Kirgizische neven op bezoek?’

‘Wacht hier.’

‘Hoe zat dat met die meiden?’

‘Hè? Wacht hier.’

‘Ik ga nergens heen.’

Een van de heren lachte vriendelijk naar me en maakte een buiging. De rest keek druk gebarend naar het veld. Er was commotie in het strafschopgebied. ‘Niet zeiken, voetballen!’ riep Jool. Dat klonk overtuigend. De trainer van Feyenoord riep heel hard ‘Lulhannes!’ terug, wat hem op een veldverwijdering kwam te staan. Temmer was klaar met bellen en voegde zich weer bij de buitenlandse delegatie.

Niet veel later was Willems ter plaatse. Hij keek beduusd uit z’n ogen. ‘Kom, Sanders,’ zei hij. ‘Menkel heeft gevraagd of je wat eerder kunt komen.’

‘Een geluk dat ik hier al was dan.’

‘Juist. Heb je fijn gewandeld?’

‘Heerlijk. Beter dan op mijn kamer hangen. Temmer zag er ontspannen uit, vond je niet?’

Willems ging daar niet op in. Hij ging me voor naar de ingang van het medisch centrum en had er flink de pas in. Binnen was het stil. De sluisdeuren blokkeerden alle geluiden van buiten. We doken de lange gang in naar Menkels spreekkamer, passeerden laboratoria, revalidatieruimtes, kantoren en een binnentuin. Overal rook je een indringende mix van schoonmaakmiddelen en medicijnen. In een bocht botste Willems bijna tegen een kar met potten en flessen, dat zijn eigen weg vond over de linoleumvloer.

‘Wacht even,’ zei Willems. ‘Even pissen.’

‘Ik ook.’

Zij aan zij stonden we te wateren. In de urinoirs stonden doeltjes om op te mikken.

‘Vanwaar ineens die schrik bij Temmer?’ vroeg ik. ‘Ik mag toch best een wandeling maken?’

‘Die man is gestrest voor zondag. En hij heeft die delegatie op bezoek.’ 

‘Wie waren dat?’

‘Russen, geloof ik. Ze hebben er geld in gestoken.’

‘Wat heeft dat met mij te maken?’

‘Niets. Temmer is gewoon gespannen.’

‘Temmer denkt dat ik zware twijfels heb, maar zo erg vind ik het nou ook weer niet. Er is een verschil tussen betaald en amateurvoetbal, dat weet ik heus wel. Ik ga echt niet lekken. Als je zoons maar naar mooi voetbal kunnen kijken, toch?’ Ik knipoogde naar hem via de spiegel. 

‘Juist,’ antwoordde Willems. ‘O, morgen komt er een kapper voor je. Kom.’

Menkel zat gebogen achter zijn bureau. Hij droeg een donkerblauwe polo en pulkte aan zijn kin alsof zich ergens in zijn huidplooien een pissebed genesteld had. Hoe oud zal hij zijn? Zestig? Hij heeft een olifantenhuid, maar het lijf van een veertiger, met pezige armen vol haar. Zijn bureau was nagenoeg leeg, op zijn scherm na, waarin hij volledig verdwenen leek. Achter hem stond een rijtje dikke boeken op een plank en in de vensterbank een dorstige plant.

‘Meneer Sanders,’ zei Menkel zonder op te kijken. ‘Neemt u plaats. Dank u meneer Willems, u kunt gaan.’ Willems was ‘m snel gesmeerd. Menkels bril was naar het puntje van zijn neus gezakt, waardoor hij zijn hoofd in zijn nek moest leggen om door het leesdeel te kunnen kijken. Ik ging op de bank naast zijn bureau zitten en legde mijn benen op een poef. 

‘Zo, meneer Sanders,’ zei Menkel na een tijdje. ‘Was u zich even aan het vertreden in het groen, ja? Zalig buiten, nietwaar? Koffie?’

‘Graag. En een glas water.’

‘Een ganzenwijntje erbij voor meneer, komt eraan. We moeten het corpus nat houden, nietwaar? Even iets afronden en dan kom ik bij u. Maakt u het zich gemakkelijk.’ 

Hij begon als een bezetene te typen. Een ganzenwijntje, leuk woord. Ik zakte onderuit. Met mijn onderlichaam horizontaal stroomde er een weldadig gevoel door mijn benen. Als warm water in een teil die pas verschoven is klotste de ontspanning tussen mijn heupen en mijn tenen heen en weer. Aan de muur tegenover me hing een schilderij, zeker anderhalve meter breed en hoog. Er stond een doolhof op, in donkere grijstonen met een geel-bruine gloed eromheen, als een natte rots op het strand. Menkel zat nog altijd mitraillerend te typen. Hij accelereerde binnen mum van tijd naar de tweehonderd aanslagen per minuut.

Ik had de tijd om naar het kunstwerk te kijken. Je zag het doolhof tegelijkertijd van voren en van boven, alsof het zich aan de binnenkant van een enorme bal bevond. Twee ovale binnenplaatsen keken me aan als ogen, en een brede gang vooraan was net een bek vol tanden. Het had iets bedrieglijk eenvoudigs. Ik probeerde met mijn ogen vanaf de ingang de route te vinden naar het centrum, maar kwam vast te zitten. Het stelsel gaf zijn geheimen niet prijs, leek zich haast aan te passen terwijl ik ernaar keek. Een geslaagd kunstwerk, stelde ik vast. 

Een beetje slaperig werd ik er wel van. Ik werd me bewust van het tikken van de klok. Menkel was gestopt met typen. Het was bijna elf uur. Mijn ogen werden zwaar, maar net toen ik ze even sloot klapte Menkel hard zijn scherm dicht. ‘Zo,’ zei hij. ‘Afgerond.’ Hij maakte een notitie met balpen en rolde op zijn bureaustoel mijn kant op. ‘Meneer Sanders, hoe maakt u het?’

‘Prima,’ geeuwde ik.

‘U hebt een eindje door het bos gezworven. Nog bijzondere observaties?’ Net als bij Temmer kwam de koffie op een karretje aangereden, zij het wat simpeler: witte koppen, een karaf  water en twee glazen. ‘Uw ganzenwijntje,’ zei Menkel bij het inschenken. Ik goot het water in een keer achterover.

‘Eens denken,’ zei ik. ‘Observaties. Het rook kruidig en de zon scheen tussen de blaadjes door. Mooi was dat. Dat zwarte hekwerk. En bomen, vogels, eekhoorns.’

‘Ah, het rijk der creaturen. Zalig, nietwaar? We zijn zelf immers ook apen. In het groen komt de mens tot zichzelf. Hoe smaakt de koffie?’

Ik nam een slok. De koffie was aan de zure kant. ‘Prima,’ zei ik.

‘Mooi. Kijkt u eens goed naar deze pen meneer Sanders en vertelt u me eens wat meer over het hekwerk.’ Menkel hield de pen vlak voor mijn neus. 

‘Ga je me hypnotiseren?’

‘Even de pupilreflex bestuderen.’

Een doodnormale balpen was het, in de kleur zwart. Niets bijzonders. Zo’n pen gebruik ik zelf bij mijn zwarte tenue. Ik draag altijd een pen in de kleur van mijn tenue, dan valt-ie zo min mogelijk op. Meestal dragen we zwart, geel of rood. Zulke pennen zijn er in overvloed. Lichtblauw en paars hebben we ook een tijd gedragen. Zulke pennen zijn moeilijker te vinden. Menkel hield zijn pen vlak voor mijn neus, bewoog hem van links naar rechts en van voor naar achter.

‘Het hekwerk, meneer Sanders.’

‘Uhm,’ zei ik. ‘Dat hekwerk.’ Ik zag mezelf zitten, onderuitgezakt op Menkels bank. Wat deed hij toch met die pen? Ik volgde hem met m’n blik, en keek ook naar Menkels knokige vingers, waar zwarte haren uitstaken. Hij droeg een gouden ring. Een trouwring, dacht ik, tot ik de naam en het logo van de sponsor gegraveerd zag. 

‘Het hekwerk, meneer Sanders.’

‘Het is imposant,’ begon ik, ‘zo’n metershoog hek met prikkeldraad. Vakwerk, dat zie je zo. Maar het heeft ook iets duisters.’

‘Wat voor gevoelens maakt het bij u los?’ Hij hield de pen een meter van mijn gezicht en bewoog hem langzaam naar het puntje mijn neus. 

Ik nam een slok koffie en voelde me een beetje duizelig worden. ‘Gevoelens? Je slentert door het groen en ineens zie je dat hek. Je ziet het bij wijze van spreke pas als je er met je neus tegenaan staat, alsof het je besluipt.’

‘Wilde u de campus verlaten, meneer Sanders?’

‘Nee. Nou ja, liever wel, maar niet tijdens mijn wandeling.’

‘Vertelt u verder.’

‘Het oefent een vreemd soort aantrekkingskracht op me uit. Alsof geluiden verstillen als je dichter bij het hek komt. Net als dit schilderij, overigens. Een prachtwerk.’

‘Dank u meneer Sanders,’ zei Menkel trots. ‘Een escapistische ideatie mijnerzijds. Zomaar een oefening in surrealisme. Kunt u eens vertellen wat het met u doet en wat u erin ziet?’

Ik nam een slok water en zakte dieper weg in de bank. Ondanks mijn vermoeidheid voelde ik een grote drang om te praten. ‘Het perspectief valt op. Je ziet het doolhof van voren én van boven, alsof het hogere en het lagere samenvallen. Ik voel me gevangen in het centrum. Dat is paradoxaal. Je kunt maar op één plek tegelijk zijn, binnen of buiten.’

Menkel zweeg, dus praatte ik verder. 

‘De kleuren maken indruk. Dat grijs en dat zwart. Je wordt er als het ware in gezogen. Toch lukt het me niet het midden te bereiken.’

Menkel zoog tussen zijn tanden lucht naar binnen. ‘Meneer Sanders,’ zei hij. ‘Voor een scheidsrechter betaald voetbal heeft u een aardig vocabulaire tot uw beschikking.’

Ik lachte. ‘Een scheidsrechter moet zich durven uitdrukken.’

‘Juist, de arbiter is een communicator. Probeert u het midden nog eens te vinden.’

Ik zakte nog verder onderuit, alsof ik in een warm bad zat en kopje onder ging. Ik probeerde het doolhof van alle kanten te penetreren, maar steeds weer liep ik tegen een of andere muur.

‘Het lukt me niet,’ zei ik.

‘Ik zal u een tip geven, meneer Sanders. Wie de route naar het midden wil vinden…’

‘…die moet in het midden beginnen,’ vulde ik aan. Ik herinnerde het me weer.

‘Juist. Kijkt u eens goed naar het midden van dit schilderij.’ 

Ik focuste al mijn aandacht op het midden. Eromheen begon alles te draaien en de ovaalvormige ‘ogen’ lichtten rood op. Mijn oogleden werden zwaard en het voelde of ik in het schilderij verdween. 

Het volgende dat ik me herinner is een hard geluid, een klap of een tik, zoals wanneer ze bij het maken van een film twee houtjes op elkaar slaan. Ik schrok wakker en ging rechtop zitten.

‘Nou, meneer Sanders,’ zei Menkel. Hij zat nu achter zijn bureau. ‘Dat was een alleraardigst onderhoud. Laten we hier snel over verder praten. Maar nu is het lunchtijd.’

Ik keek op de klok. ‘Is het al zo laat?’

‘Tijd is een illusie, lunchtijd des te meer. Maar een mens moet eten en ik rammel.’

Na het gesprek was ik duizelig. Ik had een tintelend gevoel achter mijn oren. Willems stond paraat om me naar de eetzaal te begeleiden. Na de lunch ben ik meteen op bed gaan liggen.

 

Hoofdstuk 10
Het is verdomd warm. Pa zit onder mijn raam te drinken. ‘Pure winst,’ zegt hij na ieder flesje. Ik klim uit het raam en glij langs de eik naar beneden. Pa is verdwenen. Uit mijn raam klinkt gegrom. Mortier? Ik zie hem niet. Tussen pylonen slalom ik over het kronkelpad naar het trainingscentrum. Het bos is vol geluiden, gefluister in een vreemde taal. Bij het trainingscentrum zie ik mijn vader. Hand in hand, kameraaaaden, zingt hij. Temmer zit met gevouwen handen aan een tafel te prevelen. La pelota esta redonda, la pelota esta redonda… Voor hem liggen stukken vlees op een gouden schaal. Vanuit de bosjes klinkt geritsel. Als ik door de bladeren kijk zie ik twee ogen oplichten. De schuifdeuren openen en ik slip naar binnen. Temmer staat voor me met een zebrapoot over zijn schouder. ‘Gewoon doen,’ zegt hij, en werpt de poot de bosjes in. Daarna werd ik wakker.

‘Slecht geslapen, Sanders?’ vroeg Hartman woensdagochtend tijdens de looptraining. Het onweerde boven de bossen en eigenlijk was het gekkenwerk om buiten te trainen met al die stroom onder de mat, maar ik had geen puf me te verzetten. Achter mijn oren tintelde het nog. Hartman stond onder een paraplu op zijn schermpje te kijken. ‘Je loopt erbij als kreupele kat,’ zei hij. ‘De metingen bevestigen dat beeld.’ Hij keek me bezorgd aan en liet een grafiek zien. Ik hoopte dat hij door de bliksem getroffen zou worden. Hartman zag dat ik baalde. ‘Kop op, jochie,’ zei hij. ‘Lekker douchen en je nest in. Morgen weer een dag.’ 

Bij de lunch zat ik er helemaal doorheen. Willems keek ongerust uit z’n hondenogen en even was ik bang dat hij zou gaan janken. Met moeite werkte ik een broodje naar binnen. Mijn afspraak met de kapper heeft Willems geannuleerd. 

Na een poos geslapen te hebben, heb ik ik weet niet hoe lang in de spiegel staan turen. Ogen als granaatappels, op mijn kaak een stoppelveld. Een triest gezicht. Als ze nog een film over Van Gogh maken, dacht ik, kunnen ze me bellen. Dat deed me aan het schijfje denken dat ik van Willems had gekregen. Een tekenfilm, daar was ik aan toe. Met een kussen in m’n rug heb ik zitten kijken. Prachtig, ik kan niet anders zeggen. De zon boven de savanne, gazelles die door de ochtendmist huppelen. Je gaat er helemaal in mee. Ik ben dan wel geen kind meer, maar het verhaal raakte me, vooral toen zijn pa stierf door die rottige oom. Heerlijk dat hij er weer bovenop komt, en zijn oom van de troon stoot. Een moedige zoon, de zoon van een koning. Sommigen worden nou eenmaal zo geboren. En dan op het eind al die wijfjes… Ik vraag me wel af waarom die überhaupt niets deden, alsof ze per se een man nodig hebben. Ze zitten maar te wachten en te klagen tot de verloren zoon thuiskomt, terwijl die zijn hele leven in de rimboe larven heeft lopen vreten en dus ook niet veel waard kan zijn. Maar goed, het is een tekenfilm.

Die nacht viel ik pas na vieren in een diepe slaap, waaruit ik ’s morgenswerd opgeschrikt door een bak herrie waar je bang van wordt. Twee bouwvakkers in oranje hesjes waren onder mijn raam met een boor in de weer. Ik heb op het raam gebonkt, maar ze hoorden me niet. Terug in bed zag dat het al bijna elf uur was. Op mijn nachtkastje lag een briefje van Willems. ‘Blijf maar in bed. Je was niet wakker te krijgen. Eten wordt gebracht.’ Ik heb de gordijnen geopend, mijn stoel bij het raam gezet en naar buiten gestaard. De stratenmakers lichtten de tegels van het pad en groeven in het zand alsof ze naar een schat aan het zoeken waren.

Op de velden zag het rood van de spelers. Er werd geoefend voor vandaag, PSV-Utrecht en Heerenveen-Twente. Vanaf twee hoog kon ik makkelijk over de omheining kijken. Ze oefenden zonder hologrammen en het leek op een echte wedstrijd. Ik kreeg een prima ontbijt, yoghurt met fruit en noten, en een kop thee, maar ik had geen trek. Met mijn thee ben ik terug in bed gekropen. 

Ik lag al snel weer te ijlen. Mijn raam stond op een kier en de gordijnen wapperden in de wind. Het was nacht en koud. Boven de velden hing een volle maan, die op het achterste veld een man op een stoel uitlichtte. In de omheining van het voorste veld zat een deur, erboven knipperden neonletters. Ik ging naar buiten, het veld op, en kwam in een doolhof terecht. Af en toe zag ik ogen naar me loeren. Via mijn oortje kreeg ik instructies. Rode kaart! Gele kaart! Ingooi! Aangekomen zag ik dat de man op de stoel mijn vader was. Hij was kaalgeschoren. ‘Pure winst,’ zei hij. 

Door een tik op mijn hoofd werd ik wakker, leek het. Ik kroop uit mijn bed en keek naar buiten. De velden waren verlaten en de stratenmakers vertrokken. De tegels lagen strak in het gelid en naast het kronkelpad lag een stapel boomwortels. Willems bracht me rond zes uur mijn avondeten. Krieltjes met spruiten, en sla. ‘Je hebt het flink te pakken, jongen,’ zei hij. 

Krieltjes met spruiten en sla, dat zou ik nu ook wel lusten. Ik kan geen sportreep meer zien. Nog een half uur tot de aftrap, ik ga de tv aanzetten. Ik ben duizelig. Mijn tong voelt beter, dat wel. Scheidsrechters moeten achteraf hun fouten durven toegeven. Misschien was het niet slim om mijn twijfels te uiten. Toch geloof ik dat de bond fout zit. Het voetbal is niet gebaat bij dit systeem. Daar blijf ik bij. Dat is mijn visie. En je kunt beter ten onder gaan met je eigen visie dan met die van een ander. Ik hoop dat de bond de moed heeft om achteraf toe te geven dat ze fout zaten. 

Nu ga ik de openingswedstrijd kijken. Mijn wedstrijd. Toch benieuwd. Dit schrift bewaar ik op de plafondplaten boven mijn bureau. Ik heb gezegd.

 

Nawoord van de KNAVB
Over de periode waarin de toenmalige voetbalbond de Nike Superdivisie introduceerde, kortweg ‘het systeem’ genoemd, kan ik kort zijn: wij betreuren dit. Het is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Nederlandse voetbal. Wij hebben schoon schip gemaakt en richten ons samen met onze nieuwe partner op de toekomst. Laat de drie strepen in ons logo symbool staan voor het feit dat de toenmalige leeuw gemuilkorfd is en een toontje lager zingt. Wij staan op onze strepen.

Het relaas van voormalig scheidsrechter Cas Sanders is goed geschreven en leest als een jongensboek. Toch nemen wij er als KNAVB afstand van. Veel van wat hij schrijft is niet te verifiëren, en behoort daarmee eerder tot het rijk der fabelen dan tot de geschiedenis. We hebben gegronde redenen om aan te nemen dat deze tekst ontsproten is aan een getroebleerde geest. 

Dat de heer Sanders kampte met waanvoorstellingen blijkt uit zijn eigen woorden, met name het laatste hoofdstuk. Hij heeft op zondag 21 augustus 2039, de dag waarop de Superdivisie van start ging, van 05.00 uur tot 14.30 uur non-stop zitten schrijven. Een bewonderenswaardige krachtsinspanning is, maar ook één die de scherpte van geest gaandeweg heeft doen afnemen. Sanders was in shock, had slaaptekort en kampte met de naweeën van ernstige griep. We moeten niet vergeten dat hij zijn vader net had verloren, en al met al eenzaam was. Al deze factoren doen af aan de geloofwaardigheid van zijn verhaal.

Een rapporteur schreef ooit het volgende over scheidsrechter Sanders: ‘Hij wil uitleggen en begrepen worden. Aan het verklaren van de geconstateerde overtredingen komen stevige gebaren te pas. Deze scheidsrechter verspilt veel energie door onnodig met veel, meestal theatrale, gebaren te laten zien waarom hij heeft gefloten. Hij wil iedereen tonen dat hij het goed heeft gezien. Soms zie je hem als een kraanvogel, met de armen in de lucht, twintig meter achter een aanval aanrennen als hij een voor iedereen zichtbare voordeelregel heeft toegepast.’ Wij kunnen niet anders dan concluderen dat deze observaties ook op dit geschrift van toepassing zijn.

De KNAVB distantieert zich in de sterkst mogelijke termen van insinuaties dat de toenmalige voetbalbond verantwoordelijk zou zijn voor het overlijden van deze jonge voetbalscheidsrechter. Hoe zeer de KNNVB destijds ook fout zat, een erfelijke hartkwaal is de heer Casper Sanders uiteindelijk fataal geworden. 

Rest mij om iedereen plezier te wensen met de nieuwe Uber League, die na deze zomervakantie van start gaat.

Mario Nijenhuis, 
voorzitter KNAVB

 

Bovenstaand verhaal is verzonnen. In mijn jaren als scheidsrechter (2006-2012) was ik al veel aan het schrijven, zoals blijkt uit deze foto’s. Bedankt voor het lezen!