Sinds ik in Nijmegen studeerde en Over de waarde van kulturen las, ben ik liefhebber van de boeken van antropoloog en filosoof Ton Lemaire. Die liefde nam een vlucht toen ik de Nederlandse stad verliet en op het buitenlandse platteland ging wonen, net als Lemaire in 1990 deed.
In zijn boek Tegen de tijd maakte ik onlangs kennis met de woorden ‘augiasstal’ (een bende), ‘humanimalisme’ (humanisme met dierenwelzijn), ‘topofilie’ (liefde voor een plaats) en ‘caudillisme’ (zoals Lemaire het noemt in een essay over het zapatisme: ‘het steeds weer optreden van een dominante man’).
In het bijzonder trof mij de term ‘silvicide’ in een essay over ontbossing: ‘Al met al voltrekt zich onder onze ogen een ecologische ramp van planetaire proporties, een ‘silvicide’ op grote schaal, een woord dat ik gevormd heb naar analogie van ‘ecocide’ en ‘genocide’. Alle drie zijn ze afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘caedere’, dat vellen, kappen en doden betekent.’ Silvi komt van silva, wat bos betekent.
Googel ik ‘silvicide’, dan vind ik ironisch genoeg vooral verdelgingsmiddelen om bomen en struiken mee te doden. Deze middelen spelen een bijrol, de silvicide wordt vooral met bulldozers, kettingzagen en lucifers gepleegd.
We koersen af op een ‘rampzalige’ 2,5 graad opwarming, aldus een VN-rapport deze week, mede door ontbossing. Jaarlijks verdwijnt er zo’n 10 miljoen hectare bos, drie keer de landoppervlakte van Nederland. En dat terwijl bomen ‘bondgenoten [zijn] voor een leefbare aarde’, zoals de ondertitel van Lemaires nieuwste boek Bomen en bossen luidt. Hoogste tijd dus om met silvicide te kappen.
Geschreven voor de Volkskrant