in Film

Eerst als tragedie, dan als klucht: The Designated Victim (1971) en Almost Human (1974)

milianSidney Lumet vroeg eens aan Akira Kurosawa waarom hij een scène in Ran op een bepaalde manier gekadreerd had. De Japanse cineast antwoordde dat als hij de camera iets naar links had gericht, dat dan de Sony-fabriek in beeld was gekomen, en bij tien centimeter naar rechts was het vliegveld te zien geweest – twee elementen die niet van pas kwamen in zijn zestiende-eeuwse kostuumdrama. Alleen filmmakers zelf weten welke overwegingen er schuilgaan achter hun keuzes, maar grosso modo mag je van ze verwachten dat stijl en techniek (de vorm) ingegeven zijn door het thema van de film (de inhoud, het idee). Die twee zijn niet los van elkaar te zien: de gehele film is vormgegeven, en die vorm bepaalt hoe de kijker de inhoud interpreteert. 

Behalve dezelfde hoofdpersoon, Tomás Milián (1933-2017), hebben The Designated Victim (1971) en Almost Human (1974), die 27 oktober jl. te zien waren in EYE bij Cinema Egzotik, een soortgelijk thema: de kleine man tegenover de grote, twintigste-eeuwse, kapitalistische stad. Hoofdpersonen Stefano en Giulio zijn eenzaam en ontevreden, maar dat uit zich op verschillende manieren, wat je terugziet in de stijl. TDV is een tragisch melodrama: reclamefotograaf Stefano heeft een rijke vrouw en een fotomodel als vriendin. Hij aast op het geld van zijn vrouw, en ontmoet de mysterieuze graaf Matteo, die aanbiedt hem te helpen. Zonder dat Stefano instemt, vermoordt Matteo Stefano’s vrouw. De graaf eist daarna dat Stefano ook iemand vermoordt, namelijk Matteo’s broer. Kortom: Stefano gaat ten onder aan zijn verlangens, ingegeven door die grote verlangensmachine, het kapitalisme (zie bijvoorbeeld de openingssequentie: Stefano fotografeert zijn vriendin naakt, zij eindigt op billboards bij allerhande producten, onder meer bij de whisky die Stefano gulzig drinkt).

In AH (ook uitgebracht als The Death Dealer) is voor een andere stijl gekozen om het onbehagen van de armen in de kapitalistische wereld vorm te geven. Giulio steelt, slacht, verkracht en ontvoert, uit rancune en met als doel om rijk te worden. Het is een typische exploitatiefilm, en daarmee kluchtig, vol expliciet geweld vanuit een geradicaliseerde arbeider richting de welgestelde bourgeoisie. Het shock-effect lijkt bij alle cinematografische keuzes leidend te zijn geweest. De film is subversief te noemen: het geweld ondergraaft conventies over wat je in films wel en niet allemaal kunt tonen. Giulio’s rebellie ondergraaft ook de kapitalistische mythe dat ongelijkheid rechtvaardig is, maar dat verhaal is ondergeschikt aan het effect van zijn methode: het geweld. Daarmee lijkt een soort cynische cirkel gesloten, deze film is namelijk gemaakt ter entertainment van de massa, wellicht om radicale ideeën via catharsis in de kiem te smoren. Zoiets.

De actuele relevantie van deze films lijkt me zo goed als nihil. Als populaire cultuur zijn ze in vergetelheid geraakt, met uitzondering van afgelopen vrijdag in EYE. Als een archivaris kun je ze afstoffen en koppelen aan allerlei misstanden in de hedendaagse maatschappij – ongelijkheid, patriarchaat, zinloos geweld, kapitalisme – maar daarvoor heb je deze films niet nodig: je ziet dat als je goed kijkt toch al overal om je heen. Daarbij wil ik graag aantekenen dat ik weinig tot niets weet over Italiaanse films, en dat de inleidingen die vrijdag voorafgaande aan de films werden gegeven daar weinig aan veranderden.