in Proza

Een mooie dag voor snoek

hanswileensnoekHans wil een snoek vangen. Hij droomt er vaak over, zo’n drie ochtenden per week schrikt hij wakker uit een woelige snoekdroom, en wanneer zijn vriendin hem ’s morgens vraagt wat hij die nacht gedroomd heeft, voordat ze hem vraagt wat hij die dag gaat doen, antwoordt hij meestal ‘Dat ik een snoek ving’, want dat is wat hij vaak droomt, en daarna ‘Dat weet ik nog niet’, want hij doet niet zo veel. Vandaag vallen zijn antwoorden bijna perfect samen, want vandaag gaat Hans proberen, na enige aansporing van zijn vriendin, om zijn droom om een snoek te vangen te verwezenlijken. 

Het is een zonnige maandagochtend in februari. Hans, eind twintig, stuurt zijn rammelende stadsfiets de stoep op, rolt uit, stapt af en parkeert het rijwiel tegen de zijkant van een bruin hoekpand. Er rinkelt een analoge bel als hij via de straatzijde hengelsportwinkel Tradition binnenstapt. Hij veegt de zolen van zijn nieuwe schoenen op een mat van nepgras waar in grote rode letters ‘welkom’ op staat, en terwijl de winkelbel nog nagalmt tussen de hengels en de haken maakt hij zijn wens direct en ondubbelzinnig kenbaar: ‘Goedemiddag, ik wil een snoek vangen.’

Het is hem bittere ernst, zijn boodschap is kort, de formulering helder, maar er volgt geen reactie. Hans schraapt zijn keel, twijfelt of hij wel hard genoeg gesproken heeft, of hij überhaupt gesproken heeft, of hij wel echt op de deurmat staat van hengelsportwinkel Tradition.

De winkelier is in gesprek met een klant. Onder een tl-balk in het systeemplafond boven de toonbank hangt een groot visnet, het witte licht valt in vervormde vierkantjes de winkel in. Hans kijkt naar de winkelier, een grijze man in een bruine trui met een leesbril, maar de winkelier ziet Hans niet. Even lijkt hij een blik op hem te werpen, maar het kan ook een blik op het weer zijn, op de straat, of een tic: een plotselinge, spontane samentrekking van een spier of spiergroep.

De klant vertelt aan de winkelier: ‘Die bloedbak beurde de ene na de andere uit ’t kanaal, niet normaal.’ Hij draagt een bodywarmer, tussen zijn lippen bungelt een nattig sjekkie. Hans veert op. ‘Bloedbak,’ herhaalt hij voor zichzelf, ‘wat een mooi woord zeg.’

De klant en de winkelier vallen stil en kijken naar Hans. ‘Wat?!’ zegt de klant.

‘Bloedbak,’ zegt Hans. ‘Een mooi woord, dat kende ik niet.’

De klant pakt het verschrompelde peukje uit zijn mond, bekijkt Hans grondig van top tot teen, snuift de lucht eens goed op, en wendt zich weer tot de winkelier: ‘Niet normaal dus, maar hij had goed aas, en nog gevoerd ook.’

Hans kijkt omlaag naar zijn witte sportschoenen.

‘Ken ik u hellepen?’ Van tussen de schappen met hengelsportartikelen verschijnt een dikke jongeman met rode wangen, met op de borst van zijn poloshirt het logo van de winkel, een kromme hengel doorkruist met twee golfjes, met daaronder in krulletters ‘Tradition’.

‘Ik wil een snoek vangen,’ zegt Hans.

‘Wablief?’ zegt de man.

‘Ik wil graag een snoek vangen.’

‘Ah, meneer wil een snoek vangen.’ De man kantelt zijn hoofd iets naar achteren, knijpt zijn ogen tot spleetjes en kijkt langs zijn grote neus naar Hans, alsof die hem een moeilijke rekensom heeft voorgelegd, de wortel van twaalf bijvoorbeeld. ‘In dat geval heeft u een werphengel nodig,’ zegt hij uiteindelijk.

‘Een werphengel,’ herhaalt Hans.

‘Ja, tenzij u een granaat hebt, want daarmee ga ‘t een stuk sneller. Haha!’ De man lacht, lucht ontsnapt schoksgewijs uit zijn longen, zijn buik trilt onder zijn poloshirt.

‘Ik wilde het eerst met een werphengel proberen,’ zegt Hans.

‘Juist,’ zegt de man. ‘Dan ben u hier goed. Loopt u maar mee.’ De man keert zich om en verdwijnt met bonkende stappen tussen twee schappen vol dobbers en haken. Hans volgt hem, kijkt naar zijn brede rug en schat dat hij daar wel twee keer in past. Boven zijn kraag heeft de man een horizontale vouw in zijn harige nekvel, als de tandeloze mond van een oud opaatje.

Hans weet niet veel van hengels, behalve dat je ermee kunt vissen. Hij weet van veel dingen een beetje, maar van niets echt veel, hij heeft namelijk een bachelor geesteswetenschappen gedaan. Lang geleden ving hij eens een snoek, een memorabele dag. Sindsdien heeft niet meer gevist. De dikke man stopt bij een rek met hengels, lange zwarte sprieten met uitstekende oogjes eraan. ‘Werphengels,’ zegt hij. ‘De beste die er zijn.’ De man pakt een hengel uit het rek en laat hem horizontaal op zijn vlezige wijsvinger balanceren. ‘Deze is twee twintig, een prima lengte voor snoek. Of had u langer gewild? Twee vijftig kan ook, dat is deze. Fraaie stokken, de hoogste kwaliteit, levenslange garantie.’

Hans kijkt naar de hengels, ziet niets bijzonders, zoekt naar een prijskaartje. ‘Mooi hoor,’ zegt hij. ‘Wat kosten ze?’

‘Het zijn geschikte stokken meneer, de hoogste kwaliteit, levenslange garantie,’ herhaalt de man, alsof hij net een verkoopcursus gevolgd heeft. Plotseling draait hij zijn bovenlichaam naar rechts, als een visser die gaat inwerpen, en grist een clipboard van een wandplank. ‘Eens kijken, hier staat het.’ Zijn buik schudt heen en weer. ‘Die van twee twintig is honderdtwintig, die van twee vijftig honderdvijftig. De hoogste kwaliteit meneer, fraai materiaal.’

Hans schrikt en krabt aan zijn baard. ‘Is dat met werpmolen?’ vraagt hij.

‘Ah, een molentje. Nee, die zit er niet bij. En de snoek ook niet. Haha!’

Hans kijkt van de hengel naar zijn witte schoenen. ‘Heeft u ook iets kleiners met een molentje? Het hoeft niet de hoogste kwaliteit te zijn.’

De verkoper tuit zijn lippen en knijpt zijn ogen weer tot spleetjes. ‘Uiteraard, meneer.’ Hij zet drie passen richting een uithoek, rommelt wat, haalt een stoffige hengel met molentje tevoorschijn en toont die aan Hans. ‘Een meter zeventig, inclusief molentje. Honderd euro.’

‘Geweldig,’ zegt Hans. ‘Deze neem ik.’

‘Prima keuze meneer, een handzaam model. Heeft u al nagedacht over kunstaas?’

Even later staat Hans bij de kassa. Op de toonbank liggen de werphengel en een plastic roze visje met zes haken eraan. ‘Roze werkt op de een of andere manier het beste,’ had de verkoper als argument gegeven. Hij noteert nu de bedragen op een bonnetje en tikt ze in op de kassa. Nu hij naast de grijze winkelier staat ziet Hans dat ze vader en zoon zijn. Achter hen hangen foto’s van mannen met grote vissen. De klant met de bodywarmer heeft een vers sjekkie opgestoken.

‘De hele santenkraam maar meteen?’ vraagt de bodywarmer. ‘Mooi spul hoor jochie.’

‘Ik wil een snoek vangen,’ zegt Hans.

‘Ha, ja dat wil ik ook wel,’ zegt de bodywarmer.

‘Ik ga zo direct vissen.’

‘Nou nou,’ zegt de bodywarmer. Hij neemt zijn peuk uit zijn mond en tikt de as in een plastic bekertje dat op de hoek van de toonbank staat. ‘Vissen op de maandagmorgen, geluksvogel. En wij maar werken. Waar ga je?’

‘Alblasserwaard, daar kom ik vandaan.’

‘Ah, de Alblasserwaard,’ zegt de man. ‘Het Groene Hart. Mooi hoor, daar.’

‘Dat wordt 106 euro bij elkaar,’ zegt de verkoper.

Hans pakt zijn leren portemonnee uit zijn binnenzak en rekent af, vriendelijk dank en tot ziens. Eindelijk zegt de winkelier ook iets: ‘Weet je wat nou het mooie is van een hengel kopen bij een goede hengelsportwinkel?’

Hans kijkt hem aan en denkt na. Het voelt als een toets. Daar heeft hij ervaring mee, maar op deze vraag was hij niet voorbereid. ‘Uhm, nee,’ zegt hij. ‘Dat weet ik niet.’

‘Als-ie kapotgaat kun je altijd langskomen, dan hellepen we je.’

‘Fijn,’ zegt Hans. ‘Dank u.’ Alsof hij ‘m meteen kapotmaakt. Hans stopt zijn portemonnee in zijn binnenzak, pakt de hengel en het plastic visje van de toonbank, wenst de mannen een goede middag en loopt naar buiten. Zijn digitale horloge geeft half elf aan, een mooie tijd. De dag is nog jong en vol mogelijkheden. Hij stopt het visje in zijn jaszak en fietst naar huis, de hengel in zijn hand. De zon schijnt op zijn kalende kruin. Een mooie dag om een snoek te vangen. Nu een paar eieren bakken.

Hans pakt de post van de mat en loopt naar boven. Een envelop met een blauw randje, vast iets met studieschuld, en drie voor zijn vriendin. Hij legt de post op het aanrecht, zet de waterkoker aan en kijkt in de koelkast: de eieren zijn op. Nou, dan eet hij straks thuis wel. Hij hangt zijn jas aan de kapstop en trekt zijn sloffen aan. Terwijl het water opwarmt haalt hij de was uit de machine en hangt die aan een rek op het balkon. Zijn vriendin heeft een nieuwe onderbroek, paars met blauw, die had hij nog niet gezien.

Tijdens het koffiezetten denkt hij aan de droom die hij vannacht had: hij stond met zijn werphengel langs een verlaten straat, de kinderkopjes herbergden een onpeilbare waterwereld. Plots had hij beet, de straat veranderde in een sloot en vanuit de diepte verscheen een woeste snoek.

Hij rookt een sigaret op het balkon. Er komen al knoppen op de bomen. Straks eindelijk weer eens vissen, hij heeft er zin in, voelt tintelingen zoals hij die vroeger had bij het kopen van een Nintendo-spel. Hij belt zijn moeder.

‘Dag lieve jongen, hoe gaat het met je?’

‘Goed.’

‘Ja?’ Altijd die vraag.

‘Ja, het gaat goed,’ zegt hij. ‘Ik pak zo de bus. Over een klein uurtje ben ik er.’

‘Fijn lieve jongen. Kun je me straks even helpen met tillen? Ik heb een nieuw matras gekocht voor de logeerkamer.’

‘Ja hoor. Tot zo.’

‘Tot zo lieve jongen.’

Hij dooft zijn sigaret in een van de lege flessen op het balkon en giet het laatste slokje koffie erachteraan. Hij pakt zijn rugtas, doet het roze visje erin, en ook de krant, twee boeken en zijn laptop, maar haalt die er weer uit, die heeft hij vast niet nodig. Hij zet zijn sloffen op hun vaste plaats tussen een kamerplant en de boekenkast, trekt zijn schoenen en zijn jas aan en stapt naar buiten, de hengel in zijn hand. De zon schijnt en het waait amper, het is een voortreffelijke lentedag.

Hans loopt de straat uit, voorbij de kerk gaat hij naar rechts. Op het bankje op het kruispunt zit een man in de zon een halve liter te drinken, met tussen zijn voeten een Aldi-shopper. Ook een leventje. Als hij de brug over is en de straat inloopt passeert hij het gymnasium. Het onderwijs is een fijn instituut, je gaat twintig jaar naar school, en wat dan? Aan het eind van de straat is de bushalte. Hans kijkt op het elektronische informatiebord, nog zeven minuten tot de bus er is.

Leunend tegen de zijkant van het bushokje steekt hij een sigaret op. Hij overweegt een boek uit zijn tas te halen maar pakt zijn telefoon en checkt zijn mail. ‘Geachte sollicitant,’ leest hij, ‘Hartelijk dank voor jouw interesse in de vacature ‘postbezorger’. De voorkeur die je op de kennismakingsvragenlijst hebt aangegeven wijkt te veel af van wat wij je met deze vacature kunnen bieden. Deze sollicitatieprocedure zal door ons daarom niet worden vervolgd. Deze email is geautomatiseerd tot stand gekomen, je kunt hier niet op reageren.’

De zon schijnt in zijn gezicht, dat voelt goed. Hij ziet zijn eigen gezicht weerspiegeld in het scherm van zijn iPhone, de sigarettenrook ontsnapt langzaam uit zijn mond. Ik hoop dat ik geen kanker krijg, denkt hij. Hij stopt zijn telefoon weg. Op het hokje aan de overkant zit een reiger.

Daar is de bus. Hans steekt zijn hand uit, gooit zijn peuk weg, stapt in. ‘Goedemiddag meneer,’ zegt de chauffeur, een grote kale man. Hans laat zich een matig enthousiast ‘Middag’ ontvallen, kijkt de chauffeur amper aan, en zoekt zijn ov-kaart.

‘Vissen?’ vraagt de chauffeur.

‘Dat behoort zeker tot de mogelijkheden.’ Hij hoort het zichzelf zeggen.

‘Mooie dag hoor om te vissen. Vis je op snoek? Mooi hoor, zo’n spinhengeltje.’

Hans zoekt naar zijn ov, waar heeft hij dat kreng nou toch gelaten.

‘Kijk wel uit met de gesloten tijd hè,’ zegt de chauffeur. Hans kijkt hem vragend aan, vindt zijn pas in zijn jaszak, checkt in en neemt plaats op de wat ruimere stoelen voorin. Hij zet zijn bagage op de stoel naast hem, en haalt een dik boek uit zijn tas. De bus rijdt de stad uit via de brug over het kanaal. Als de bus de snelweg op draait klotst de koffie in Hans’ lege maag heen en weer, wat hem een beetje misselijk maakt.

Hans leest zijn boek en wrijft over zijn baard. Naast hem, bij het andere raam, tegenover het gangpad, zit een lange zwarte man in een lichtgrijs pak te neuriën. Hans kijkt naar hem en fronst zijn wenkbrauwen. De man kijkt terug, lacht binnensmonds en knikt naar het boek dat Hans in zijn handen heeft. ‘Het geschreven woord is een geschenk van God, jongen.’

‘Uhm, ja.’

‘Dat is een dik boek dat je daar hebt.’

‘Een dik boek lezen is een daad van verzet.’ Dat las hij laatst in de krant.

‘Een geschenk van God is het,’ verbetert de man hem. ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’

Hans kijkt de man ernstig aan. ‘Ja, in den beginne.’ Hij slaat het boek open en leest verder.

‘Een visser en een lezer,’ zegt de man. ‘Jezus zal jou vinden, jongen. Hij gaat jou vinden.’ De man neuriet nog wat en tovert met zijn lange vingers een foldertje uit zijn binnenzak tevoorschijn. Hij geeft het aan Hans. ‘Jezus redt’, staat erop.

‘Nou, bedankt,’ zegt Hans. Hij stopt het stukje papier achterin zijn boek. Net over de Lekbrug stapt de zwarte man uit. ‘Veel geluk met vissen jongeman,’ zegt hij nog tegen Hans.

‘Dank u, u ook,’ zegt Hans, maar dat hoort de man niet. Hans bekijkt het foldertje. Onder ‘Jezus redt’ staat een tak met bladeren. De bus draait de snelweg weer op. Hans legt zijn boek op zijn schoot en staart naar buiten. De weilanden zijn door bruine sloten in rechte vlakken verdeeld, als een Mondriaan van gras en blubber. Het water weerkaatst het zonlicht, en Hans verheugt zich over wat voor grote vissen zich onder het oppervlak bevinden.

Hij denkt aan de laatste keer dat hij viste. Het was herfstvakantie en hij had al een paar dagen langs het water gestaan met zijn nieuwe werphengel. Het schemerde al en hij besloot nog vijf keer in te werpen en dan naar huis te gaan. Bij de derde worp zat er iets zwaars aan de lijn. Uit een modderkolk kwam langzaam een happende onderbeet naar boven gedreven. Hans schrok zich te pletter, had geen idee wat hij moest doen. Hij haalde de lijn in, maar durfde die joekel van een roofvis niet uit het water te tillen. De snoek hapte, spartelde en dook onder, maar de haak bleef vastzitten en Hans haalde het beest weer terug naar de kant. Dat herhaalde zich een keer of zes, totdat de vis de strijd opgaf, en Hans het uitgeputte monster aan zijn staart op de kant tilde.

Hij keek er een tijdje naar. Een grote, groene vis met scherpe tanden, en vlakbij zijn staart een roodbruine rugvin. Toen kwamen er drie jongens aangelopen, waar Hans geen beste vrienden mee was. ‘Wo!’ riep de grootste, ‘Hansje heeft een dikke snoek gevangen! Twee dikkerds bij elkaar.’ De anderen lachten. De jongen hurkte naast de snoek en trok aan de lijn, waarop de vis een gorgelend geluid maakte. ‘Die haak zit er diep in Hansje, die krijg je er nooit uit.’ Hans wilde nog voorstellen om een tak te gebruiken, maar voor hij iets kon zeggen tilde de jongen zijn groene kaplaars hoog op en stampte met zijn hiel op de kop van de snoek. De schedel kraakte, de vis sloeg dubbel als een muizenval. De jongen trapte de vis weer recht en trok de haak er met een flinke ruk uit. ‘Zo, die is los,’ zei hij. ‘Nou Hansje, veel plezier met je snoek.’

Hans zit zo in zijn herinnering verzonken dat hij bijna vergeet om op de stopknop te drukken, en de chauffeur moet vol op de rem. De halte ligt tegenover een onbemand tankstation, net voor een rotonde. Hans groet de chauffeur. ‘Vang ze!’ roept die via de spiegel. Hans snuift de polderlucht op. Een briesje blaast een lichte mestgeur over het boerendorp. Op de korte wandeling naar huis eet hij twee pepermuntjes, tegen de sigarettengeur. Op zijn telefoon wil hij ‘gesloten tijd’ googelen, maar hij krijgt geen verbinding. Vanuit het dorp komt een bestelbus aangereden, achter het stuur zit een oud-klasgenoot. Hans maakt een groetende beweging met zijn hoofd, de ander ziet hem niet, of herkent hem niet.

De klok van de hervormde kerk slaat half één als Hans de betegelde tuin van zijn ouders binnenloopt. Zijn moeder zit aan de tafel bij het raam de krant te lezen. Ze heeft haar haar geverfd. Hij zwaait, zijn moeder kijkt op, schuift haar stoel naar achteren en staat op. Hij opent de deur, zijn moeder opent de tussendeur, Hans geeft zijn moeder een zoen.

‘Dag lieve jongen,’ zegt ze.

‘Dag lieve mama.’

‘Nieuwe schoenen?’

‘Ja.’ Hij kijkt naar zijn schoenen.

‘Mooi. En een hengel? Ga je vissen?’

‘Ja moeders, ik ga vissen.’

‘Nou, pas maar op dat je niks vangt.’

Hans zet zijn tas op een stoel, de hengel ernaast. Hij loopt naar de keuken en inventariseert in de koelkast wat er allemaal te eten valt. Met een dubbele boterham met kaas, ham, augurk, tomaat en mosterd keert hij terug naar de eettafel en gaat tegenover zijn moeder zitten eten.

‘Smakelijk. Is het leven nog een beetje leuk?’ vraagt zijn moeder.

‘Ja, ik vind het leven best leuk.’

‘Fijn lieverd. Wat fijn dat je er even bent.’

‘Ja, fijn.’

‘Kun je een beetje rondkomen?’

‘Jawel. Gisteren had ik een sollicitatiegesprek.’

‘Dat is fijn,’ zegt ze. Hij hoopt dat ze vraagt hoe het ging, maar ze begint over iets anders: ‘De juffrouw van Joris had aan de klas verteld dat God de dinosauriërs onder de grond heeft gestopt om het geloof van de mensen te testen.’

‘Wat een onzin,’ zegt Hans. Hij eet zijn boterham op, loopt naar de koelkast en drinkt een paar slokken karnemelk uit het pak.

‘Ja. Dus ik heb hem verteld dat God ook de dinosauriërs geschapen heeft, en dat die een hele poos geleefd hebben, lang geleden.’

‘Goed zo. Waarom heb je niet meteen verteld dat God niet bestaat?’

‘Tsja, zijn ouders willen hem toch christelijk opvoeden.’

Als Hans nog twee boterhammen op heeft tilt hij het nieuwe tweepersoonsmatras uit de bijkeuken naar de logeerkamer. ‘Wat ben je toch sterk,’ zegt zijn moeder. Hans legt het matras op het nieuwe logeerbed en gaat er even op liggen. Hij appt zijn vriendin dat hij bijna gaat vissen en er veel zin in heeft. ‘Even blijven liggen,’ zegt zijn moeder. Met haar iPad maakt ze een foto. ‘Voor in de familiegroep. Ligt het lekker? Blijf je logeren?’

‘Even kijken hoe het loopt,’ zegt Hans. ‘Ik denk het niet. Nu ga ik vissen.’ Hij staat op, loopt naar beneden en pakt zijn hengel en het roze visje. Hij trekt de visdraad door de oogjes naar de top van de hengel en knoopt het nepvisje eraan vast. ‘Roze schijnt het beste te werken,’ zegt hij.

‘Wat zeg je?’ Zijn moeder maakt nog een foto van hem.

‘Roze schijnt het beste te werken.’

‘Waarvoor?’

‘Om snoek mee te vangen.’

‘Ga je een snoek vangen?’

‘Ik ga het proberen,’ zegt hij.

‘Och, weet je nog, die ene keer?’ Ze staat op en loopt naar de keuken met het bord waar Hans van gegeten heeft.

Hij weet het nog, hij had het huilend tegen zijn moeder verteld. ‘Ja, dat weet ik nog. Hopelijk vang ik er vandaag ook een. Ik ga bij de ijsbaan staan zo.’

Hij loopt met zijn hengel naar de ijsbaan, een langgerekt stuk water net buiten het dorp met een strook riet in het midden, waar ’s winters bij vorst baantjes geschaatst kunnen worden. Aan het begin van de baan is een bruggetje, aan het einde staat een molen. Naast de baan ligt De Zoete Brederode, een restaurant met een Michelinster.

Het water is bruin en glinstert in de zon. Er liggen geen lelies op, wel drijft er een plastic zak. Hans gaat schuin onder het bruggetje in het gras staan. Hij legt de hengel over zijn schouder en zwiept ‘m naar voren. Het roze visje vliegt door de lucht, gevolgd door de flinterdunne lijn. Hans ziet de zon erin schitteren, het visje plonst op een meter of tien van de kant in het water. Hij draait aan het molentje om de lijn met het plastic visje weer binnen te halen. Op een meter of anderhalf van de kant komt het uit de duisternis naar boven. Het zwemt alsof het leeft, al zie je visjes zelden in een rechte lijn naar de kant zwemmen, maar dat schijnen snoeken niet te weten. Hans tilt het visje uit het water en werpt opnieuw in. Af en toe zit er wat modder aan de haak. Bij de zestiende worp gooit hij het plastic visje tegen een boom, maar gelukkig blijft het niet hangen in een tak.

Boven de molen vliegen wat vogels, in de verte razen auto’s over de snelweg. Hans werpt het visje een paar keer onder de brug. Het ketst met een holle knal tegen de stenen onderkant, en plonst in het water als een munt in een wensput. Hij bekijkt het restaurant, een oude boerderij met een rieten dak. De parkeerplaats staat vol grote auto’s en vanuit de keuken komt een smakelijke walm zijn kant op. Zelf heeft hij er nooit gegeten. Hij herinnert zich dat de buurman op zijn dertiende verjaardag zei dat als hij met zijn nieuwe hengel een snoek of snoekbaars zou vangen, hij hem naar De Brederode kon brengen en er vijfentwintig gulden voor zou vangen.

Hans werpt zijn roze visje nog eens onder de brug. Terwijl hij de lijn langzaam binnenhaalt verlaten twee jongemannen het restaurant. Ze zijn iets ouder dan hij, dragen pakken met witte boorden en stropdassen. Een van twee heeft zijn jasje nonchalant over zijn schouder hangen. Zijn donkere haren glimmen in de lentezon. Ze lachen. Stelletje ballen, die denken dat ze heel wat zijn. Ze stappen in een grote Citroën, de portieren vallen met een duur geluid dicht.

Hans voelt een ruk aan zijn lijn. Yes, hangen! De lijn staat strak, de hengel krom, maar hij voelt geen leven aan de andere kant. Verdomme. De Citroën rijdt weg van de parkeerplaats. Hans trekt aan zijn hengel, beweegt hem van links naar rechts, maar er komt geen beweging in. Rijd maar snel door, denkt hij, maar de Citroën rijdt niet door. Het raampje opent automatisch. ‘Heb je beet?’ vraagt de man met het glimmende haar.

‘Nou, was het maar zo,’ zegt Hans. ‘Volgens mij zit ik vast.’

‘Wat zegt hij?’ vraagt de man op de passagiersstoel.

‘Hij denkt dat hij vastzit, een waterplant misschien,’ zegt de bestuurder.

Hans trekt nog eens aan de lijn, maar zijn haak komt niet los.

‘Vis je op snoek?’ vraagt de bestuurder.

‘Ja.’

‘Mooi man. Dat deed ik vroeger ook. Nou, succes ermee, hopelijk komt je haak snel los.’  De bestuurder toetert nog even als hij optrekt, en laat Hans achter in een wolk van uitlaatgas. Hij geeft een harde ruk aan de lijn. Er komt beweging in, luchtbellen borrelen in het wateroppervlak. Met veel kracht haalt hij de lijn binnen. Op twee meter van de kant komt er iets bovendrijven: een dikke tak met de bladeren er nog aan, onder de zwarte modder. Middenin schittert het roze visje. ‘Jezus,’ vloekt hij. ‘Klotetak.’

Hij tilt de tak op de kant. Bruine spetters landen op zijn witte schoenen. Hij haalt het haakje los, klimt de weg op en loopt een stukje richting de molen, om het daar eens te proberen. Hij staat alweer een tijdje in te werpen als zijn moeder komt aangefietst. ‘Heb je al wat gevangen?’ vraagt ze. Ze zet haar fiets op de standaard en haalt haar iPad tevoorschijn. ‘Kijk eens, even op de foto.’ Ondertussen zwemmen er twee futen voorbij, ook die gaan op de foto. ‘Hier, een mandarijntje.’ Ze geeft Hans een mandarijn en fietst weg.

Nou Hans, daar sta je dan. Eind twintig, hengelend in de polder, met modder op je nieuwe schoenen. Hans pelt het stukje fruit en gooit de schillen in het gras, het is tenslotte geen kernafval. Hij breekt wat partjes af en stopt die in zijn mond, maar de vrucht is bitter en droog. Hij spuugt de partjes in het water, de rest gooit hij met een boog over de ijsbaan heen het weiland in.

Hans gooit nog eens in, en nog eens, en nog eens, maar zonder succes. De lol is er vanaf. Er drijft een wolk voor de zon, de wind trekt aan. Hij doet zijn jas helemaal dicht. Nog vijf keer, en dan naar huis. Vijf, vier, drie, twee, een – niets. Hans maakt het visje vast aan de hengel, stapt uit de berm en kijkt naar zijn schoenen: hij is in een hondendrol gaan staan. Met een takje verwijdert hij het grofste vuil, daarna loopt hij naar huis. Even overweegt hij een sigaret op te steken, maar hij doet het niet. In plaats daarvan maakt hij een selfie met zijn hengel, met het water op de achtergrond. Die appt hij naar zijn vriendin. ‘Niets gevangen, wel vier soorten hondenstront aan mijn schoenen.’

In de tuin van zijn ouders trekt hij zijn schoenen uit, zijn hengel zet hij tegen de bijkeuken. Hij maakt koffie en snoept plakjes serranoham uit de koelkast. Daarna gaat hij met zijn boek aan de tafel zitten. ‘En, iets gevangen?’ vraagt zijn moeder.

‘Nee,’ zegt hij. ‘Een tak.’

‘Ach, je bent toch lekker een middagje buiten geweest. Wil je nog iets eten?’

‘Nee dank je, ik ga zo.’

‘Blijf je niet logeren?’

‘Nee, ik ga naar huis. Koken voor de vrouw.’

‘Laat je hengel maar hier staan, die nemen we zondag wel mee, dan komen we op de koffie.’ Zijn moeder staat op, opent de houten servieskast, trekt een laatje open en haalt er een briefje van vijftig uit. ‘Hier, voor het helpen.’

‘Thanks ma,’ zegt hij. Hij stopt het briefje achterin zijn boek, bij het foldertje. ‘Nou, ik ga  maar eens.’

‘Heb je alles? Telefoon, oplader, portemonnee?’

‘Yep, ik heb alles.’

‘Sleutels?’

‘Ja, ook.’

‘Laptop?’

‘Ja moeders, ik heb alles. Behalve die hengel dus.’ Hij trekt zijn jas aan, geeft zijn moeder een zoen, trekt buiten zijn schoenen aan en wandelt terug naar de bushalte, zonder zijn hengel.

Dit verhaal schreef ik in het voorjaar van 2017 aan de Schrijversvakschool, onder begeleiding van Robbert Welagen