in Opinie

Reactie op Martin Sommer

Afgelopen zaterdag las ik behalve het mooie woord ‘kwestieus’ ook twee kwestieuze stellingen in het commentaar van Martin Sommer op het Wilders-proces. Ten eerste vergelijkt Sommer de groepsbelediging van Marokkanen door Wilders met die van babyboomers: ‘Er is inmiddels in heel wat toonaarden om “minder babyboomers” geroepen. Die uitspraak is beledigend, maar niemand zal het in zijn hoofd halen om aangifte te doen.’ Ten tweede beweert Sommer dat democratie niet kan ‘zonder vrije meningsuiting, en vrije meningsuiting kan niet zonder kwetsen.’

Heeft u hem gehoord, die roep om minder babyboomers? Ik niet. Googelen naar ‘minder babyboomers’ leverde me 46 hits op. Op slechts twee webpagina’s werd voor minder babyboomers gepleit. Op GeenStijl.nl schreef Johnny Quid ‘Minder, Minder, Minder babyboomers’ in reactie op het nieuws dat een 64-jarige vrouw een zwangere conductrice in haar buik had gestompt. Op Fok.nl reageerde ene ‘BasOne’ onder een bericht over de AOW-leeftijd met ‘Willen jullie meer of minder babyboomers…’. Een zoektocht naar ‘minder boomers’ bracht me bij een opiniestuk van babyboomer Jan Donkers in NRC Handelsblad, die zich niet zegt te herkennen in een karakterschets van zijn generatie door Philip Huff. Kortom: niemand pleit serieus voor minder babyboomers, zoals Martin Sommer beweert.

Zou deze roep wel geklonken hebben, dan is er een groot verschil met de ‘minder Marokkanen’-uitspraak van Wilders. De groep ‘boomers’ is aanzienlijk rijker en omvangrijker (en ‘witter’) dan Nederlanders met een Marokkaanse migratieachtergrond, op wie Wilders zijn peroxidepijlen richt. Het beschermen van de rechten van deze minderheid is geen identiteitspolitiek, zoals Sommer best wil aannemen van Forum voor Democratie-professor Paul Cliteur, maar een uitvloeisel van onze Grondwet. Het is eerder Cliteur die zich stelselmatig aan identiteitspolitiek schuldig maakt, door een niet bestaande ‘islamitische cultuur’ af te schilderen als een groot gevaar voor de niet bestaande ‘Nederlandse cultuur’, twee empty signifiers.

Ten tweede beweert Sommer dat democratie niet kan ‘zonder vrije meningsuiting, en vrije meningsuiting kan niet zonder kwetsen.’ Die uitspraak is volstrekt ongenuanceerd. In alle democratieën is de vrijheid van meningsuiting beperkt door wetten en regels. Denk aan smaad en laster, maar ook aan seksuele intimidatie en racisme. En het is zeer wel mogelijk een mening te uiten zonder mensen te kwetsen, bijvoorbeeld door een verhaal te vertellen dat rationeel en doordacht is, voorzien van steekhoudende argumenten. Daarin schiet Martin Sommer zelf tekort.

Met de woorden ‘Het is een open deur, maar soms moeten die worden ingetrapt’ legitimeert Sommer het kwetsen en discrimineren van de ander in het publieke debat. Sommer neemt het met drogredenen op voor populistisch radicaal-rechtse politici die stelselmatig Marokkanen en moslims zwartmaken. Beter kiest hij voortaan voor deze deur, die toch ook open staat: de journalist heeft, ook in de rol van commentator, de taak om lezers goed te informeren en meningen logisch te beargumenteren. Daarmee kwets je niemand. Probeer het eens, Martin Sommer.

Deze reactie is ingezonden naar de Volkskrant en vriendelijk afgewezen.